Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een gedwongen schuldregeling af te dwingen bij vier schuldeisers. Het voorstel hield een betaling van circa 1% van de vorderingen in, gebaseerd op de NVVK-norm en een Participatiewet-uitkering als afloscapaciteit. Zestien schuldeisers stemden in met de regeling, maar twee weigerden.
De weigerende schuldeisers stelden dat verzoeker niet te goeder trouw heeft gehandeld. Verzoeker zou zijn onderneming hebben overgedragen aan zijn stiefdochter om vermogensbestanddelen buiten bereik van schuldeisers te brengen. Tevens was er sprake van onvolledige administratie en onduidelijke contante betalingen. Verzoeker ontkende opzet en gaf aan stukken zonder controle te hebben ondertekend.
De rechtbank oordeelde dat de belangen van de weigerende schuldeisers, die een groot deel van de schuld vertegenwoordigen, zwaarder wegen. De rechtbank vond de bezwaren van de schuldeisers gegrond en concludeerde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt te goeder trouw te hebben gehandeld. Daarom werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen.
De rechtbank zal in een afzonderlijke beslissing het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling behandelen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak, uitsluitend door een advocaat in te dienen bij het gerechtshof.