ECLI:NL:RBROT:2022:185
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens onvoldoende steunvordering
Verzoekster, een werkneemster, heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot faillietverklaring van verweerder wegens een opeisbare vordering van €7.278,78 bruto uit hoofde van een arbeidsovereenkomst, waaronder achterstallig salaris. Zij stelt dat verweerder de pensioenpremies die op haar salaris zijn ingehouden niet heeft afgedragen aan het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid, waardoor sprake zou zijn van een steunvordering.
De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster een opeisbare vordering heeft, maar dat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het pensioenfonds ook een vordering heeft op verweerder. Verder is niet gebleken dat verweerder meerdere schuldeisers onbetaald laat, hetgeen noodzakelijk is voor het aannemen van een toestand van ophouden met betalen.
Gezien het ontbreken van voldoende feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerder in staat van faillissement verkeert, wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af. Verzoekster kan binnen acht dagen hoger beroep instellen bij het gerechtshof.
De uitspraak is gedaan door rechter C.G.E. Prenger in aanwezigheid van griffier T. Mulder op 11 januari 2022.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van een steunvordering en het ontbreken van meerdere onbetaalde schuldeisers.