ECLI:NL:RBROT:2022:1943
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontruiming en betaling huur wegens ontbreken spoedeisend belang
Tussen verhuurder en huurder bestond een huurovereenkomst voor bepaalde tijd die per 31 oktober 2021 is geëindigd. Verhuurder vorderde in kort geding betaling van achterstallige en toekomstige huur, ontruiming van de woning en vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Verhuurder stelde dat huurder zonder recht of titel in de woning verbleef, huurachterstand had en structureel overlast veroorzaakte.
Huurder betwistte de overlast en gaf aan door coronamaatregelen tijdelijk betalingsproblemen te hebben gehad, maar altijd in contact te zijn geweest met verhuurder. De kantonrechter oordeelde dat het enkele feit dat huurder zonder recht of titel in de woning verbleef niet automatisch een spoedeisend belang oplevert. Ook de huurachterstand van één maand en de betwiste overlast rechtvaardigen geen onmiddellijke ontruiming.
De kantonrechter concludeerde dat verhuurder het spoedeisend belang ontbrak om de vorderingen in kort geding toe te wijzen. De vorderingen werden afgewezen en verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden vastgesteld omdat huurder in persoon procedeerde zonder kosten te vorderen.
Uitkomst: De vorderingen van verhuurder tot ontruiming en betaling van huur worden afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.