De Franse kinderrechter te Albi heeft verzocht om overdracht van de bevoegdheid over de ouderlijke verantwoordelijkheid van twee minderjarige kinderen, die in Frankrijk verblijven en de Nederlandse nationaliteit hebben, aan de Nederlandse rechter. Het ouderlijk gezag is geschorst en de kinderen zijn uithuisgeplaatst in Frankrijk.
De Nederlandse kinderrechter stelt vast dat hoewel de kinderen een bijzondere band met Nederland hebben vanwege hun nationaliteit, de ouders niet aantoonbaar in Nederland zijn gevestigd en er onvoldoende feiten zijn die wijzen op een duurzaam verblijf in Nederland. Hierdoor is niet zonder meer duidelijk dat de Nederlandse rechter beter in staat is de zaak te behandelen dan de Franse kinderrechter.
De rechtbank besluit daarom de beslissing aan te houden en de Raad voor de Kinderbescherming te betrekken voor nader advies over het belang van de kinderen bij overdracht van de bevoegdheid. Een mondelinge behandeling wordt gepland waarbij ook de ouders worden gehoord.