Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:1976

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 februari 2022
Publicatiedatum
17 maart 2022
Zaaknummer
FT EA 22/62 en FT EA 21/1598
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing moratorium en opschorting ontruiming huurwoning in schuldsanering

Verzoeker heeft op 18 januari 2022 een verzoek ingediend ex artikel 287b Faillissementswet tot het treffen van een voorlopige voorziening om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 3 december 2021. Verzoeker staat sinds 20 december 2021 onder beschermingsbewind en ontvangt een netto inkomen van €1.520, terwijl de huur €913,08 bedraagt. De beschermingsbewindvoerder heeft de huur voor december 2021 en januari 2022 betaald en verklaart dat de vaste lasten van het inkomen kunnen worden voldaan.

Verweerster heeft niet gereageerd op het verzoek. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming op 24 januari 2022. De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De rechtbank acht aannemelijk dat de lopende termijnen betaald zullen worden.

De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden, verlengt de huurovereenkomst voor die periode en stelt als voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid om later een nieuw verzoek in te dienen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe en schorst de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder voorwaarde van tijdige betaling van lopende termijnen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 9 februari 2022
[verzoeker],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoeker.

1..De procedure

Verzoeker heeft op 18 januari 2022, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 18 januari 2022 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 februari 2022.
Ter zitting van 2 februari 2022 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mr. J. Pearson, advocaat;
  • mevrouw N. van den Bergh, beschermingsbewindvoerder,
Flanderijn heeft namens [verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank te kennen gegeven dat zij niet ter zitting zullen verschijnen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2..Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 3 december 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker staat sinds 20 december 2021 onder beschermingsbewind. Het beschermingsbewind loopt goed, de situatie is stabiel en verzoeker werkt goed mee. De beschermingsbewindvoerder heeft de huur voor de maanden december 2021 en januari 2022 betaald. Verzoeker heeft een inkomen van € 1.520,00 netto en de huur bedraagt € 913,08. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat zij van het maandelijks inkomen de vaste lasten kan betalen.
Verzoeker is zich ervan bewust dat de maandelijkse woonlasten in relatie tot zijn inkomen hoog zijn. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij urgentie had aangevraagd, maar dat dit verzoek is afgewezen. Hij is echter nog wel op zoek naar een nieuwe, goedkopere woning. Verzoeker werkt gemiddeld 20 uur per week bij PostNL. Hij wil graag meer uren werken en is daarmee bezig.

3..Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4..De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 3 december 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 2 januari 2022 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 24 januari 2022 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 3 december 2021 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt een netto inkomen van
€ 1.520,00 per maand en hij is bezig om meer uren te krijgen. Daarnaast staat verzoeker onder beschermingsbewind en heeft de beschermingsbewindvoerder verklaard dat zij van het huidige maandelijkse inkomen de vaste lasten kan betalen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 3 december 2021 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat SHV die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2022.