Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- verzoeker;
- de heer R. van der Poort, werkzaam bij Stroomopwaarts (hierna: schuldhulpverlening).
2..Het verzoek
3..Het verweer
4..De beoordeling
5..De beslissing
drie maanden;
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning voorkomt. De rechtbank stelde vast dat sprake is van een bedreigende situatie, aangezien het vonnis tot ontruiming reeds is uitgesproken en de ontruiming gepland stond.
Verzoeker heeft aannemelijk gemaakt dat hij inkomen zal ontvangen uit een vaststellingsovereenkomst met zijn voormalige werkgever en dat hij vanaf april 2022 een WW-uitkering kan aanvragen. De huur over januari en februari 2022 is betaald door de gemeente. Verweerster, de schuldeiser, stelde zich aanvankelijk niet te verzetten maar later wel, vanwege onzekerheid over de toekomstige betaling van de huur.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Vanwege onzekerheid over de inkomenssituatie wijkt de rechtbank af van de gevraagde termijn van zes maanden en kent een moratorium van drie maanden toe. Tevens verklaart de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Uitkomst: Moratorium van drie maanden toegewezen ter voorkoming van ontruiming, met voorwaarde tijdige huurbetaling; verzoeker niet-ontvankelijk in verzoek toelating schuldsanering.