Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan veertien schuldeisers, waarbij preferente en concurrente schuldeisers een percentage van respectievelijk 4,08% en 2,04% van hun vorderingen ontvangen. De regeling is gebaseerd op een oorspronkelijke afloscapaciteit van €90,25 per maand, maar deze is door gewijzigde omstandigheden gedaald naar €54,00 per maand. Schuldhulpverlening handhaaft het aanbod inclusief saneringskrediet op basis van de oorspronkelijke afloscapaciteit.
Dertien schuldeisers stemmen in met de regeling, maar één schuldeiser met een vordering van 82,7% van de totale schuldenlast weigert. Deze schuldeiser vindt het aangeboden percentage te laag en betwist de goedheid van de schuld en de afdracht van de auto van verzoeker. De rechtbank oordeelt dat het voorstel zorgvuldig is getoetst en voldoende onderbouwd, en dat de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, waaronder verblijf in een zorginstelling en medische beperkingen, een hogere afloscapaciteit onwaarschijnlijk maken.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers zwaarder dan dat van de weigeraar. Ook acht de rechtbank het saneringskrediet en de snelle uitkering aan schuldeisers gunstiger dan een wettelijke schuldsaneringsregeling. Daarom beveelt de rechtbank de schuldeiser in te stemmen met de regeling, wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af en veroordeelt de schuldeiser in de proceskosten.