ECLI:NL:RBROT:2022:2040

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 maart 2022
Publicatiedatum
21 maart 2022
Zaaknummer
ROT 20/5725
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen AOW-korting wegens termijnoverschrijding

Opposant heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) betreffende een korting op zijn AOW-uitkering. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard omdat het bezwaar te laat was ingediend en geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding was aangevoerd.

Tegen deze uitspraak is verzet ingesteld. Opposant stelde dat hij het primaire besluit niet had ontvangen en pas in augustus 2020 telefonisch op de hoogte was gebracht, waardoor de bezwaartermijn pas daarna zou zijn gaan lopen. Tevens betoogde hij dat het ging om een verzoek tot wijziging op grond van gewijzigde omstandigheden en niet om bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit.

De verzetrechter oordeelde dat uit de correspondentie blijkt dat opposant wel degelijk bezwaar maakte tegen het primaire besluit en dat hij kort na het besluit in 2012 op de hoogte was van de inhoud. De ingediende bezwaartermijn in 2020 was daardoor te laat en er was geen verschoonbare reden voor de overschrijding. Het verzet is daarom ongegrond verklaard. De rechtbank benadrukte dat opposant zich vrij staat een nieuw verzoek in te dienen bij de SVB.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij bezwaar tegen het primaire besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/5725

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2022 op het verzet van

[naam opposant], te [woonplaats opposant], opposant

(gemachtigde: mr. mr. J.J.A. Bosch).

Procesverloop

Opposant heeft tegen de beslissing op bezwaar van De Sociale verzekeringsbank (SVB) van 25 september 2020 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 23 maart 2021 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De rechtbank heeft het verzet op 3 maart 2022 op zitting behandeld. Opposant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit van 24 april 2012 en opposant geen geldige reden heeft aangevoerd om het overschrijden van de termijn om bezwaar te maken verschoonbaar te achten.
2. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat hij het primaire besluit niet heeft ontvangen en pas op 4 augustus 2020 telefonisch op de hoogte is geraakt met de inhoud van dat besluit. De termijn voor het indienen van bezwaar is om die reden pas na 4 augustus 2020 gaan lopen waardoor het bezwaar van opposant tijdig is ingediend. Opposant betwist verder dat hij bezwaar wilde maken tegen het primaire besluit, want hij wenste een wijziging van het besluit vanwege gewijzigde omstandigheden. Zo is aan opposant een schone lei toegekend bij vonnis van 8 november 2016. Dit zijn nieuwe feiten en omstandigheden voor een herhaalde aanvraag. De in het primaire besluit vermelde korting op de AOW-uitkering van opposant (van 14%) met ingang van 8 november 2016 dan wel 15 november 2016 dient te vervallen. Dit is het verzoek dat opposant in de periode augustus-september 2020 heeft ingediend.
3. In deze verzetzaak beoordeelt de verzetrechter uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De verzetrechter overweegt het volgende. Ter zitting heeft opposant benadrukt dat hij geen bezwaar heeft tegen de inhoud van het primaire besluit, maar dat het gaat om nieuwe feiten of omstandigheden waardoor een nieuw besluit zou moeten worden genomen op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb. De verzetrechter is echter van oordeel dat verweerder zich gelet op de bewoordingen van de brief van opposant terecht op het standpunt heeft gesteld dat opposant daarin bezwaar maakte tegen het primaire besluit. In geding is derhalve de vraag of opposant tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit van 24 april 2012. Dit is niet gebleken. In de toelichting op de termijnoverschrijding (door opposant aan de SVB opgestuurd op 4 september 2020) heeft opposant aangegeven in 2012 in de problemen te zijn geraakt waardoor hij de brief over zijn AOW-uitkering (het primaire besluit) waarschijnlijk niet goed heeft begrepen. De verzetrechter leidt hieruit af dat opposant het primaire besluit kort na 24 april 2012 heeft ontvangen, of in ieder geval in 2012 op de hoogte is geraakt van de inhoud van het primaire besluit. Om die reden is het op 31 augustus 2020 ontvangen bezwaarschrift te laat ingediend. Hoewel de situatie van opposant invoelbaar is, is niet gebleken van feiten of omstandigheden waardoor er sprake kan zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb. De grond dat eisers termijnoverschrijding verschoonbaar is, slaagt daarmee niet.
Ten overvloede overweegt de verzetrechter nog dat uit het voorgaande volgt dat het opposant zonder meer vrij staat zich tot de SVB te wenden met het verzoek de korting op zijn AOW-uitkering te beëindigen.
6. Het verzet is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2022.
De griffier en rechter zijn verhinderd de uitspraak te tekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.