ECLI:NL:RBROT:2022:2043
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering en weigering WIA-uitkering door UWV bevestigd
Eiser werkte als lasser/slijper en meldde zich ziek tijdens een WW-uitkering. Het UWV beëindigde zijn ZW-uitkering per 4 december 2020 omdat hij volgens een arbeidsdeskundige meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen. Tevens werd zijn aanvraag voor een WIA-uitkering afgewezen omdat hij de wachttijd van 104 weken niet had voltooid.
Eiser voerde aan dat hij door fysieke beperkingen niet kon werken en dat de beëindiging onterecht was. Hij wees op recente operaties en klachten. De rechtbank oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig en eenduidig waren opgesteld, waarbij de verzekeringsarts bezwaar en beroep de eerdere beoordeling bevestigde. Er was geen objectieve medische onderbouwing voor volledige arbeidsongeschiktheid.
De arbeidsdeskundige had vastgesteld dat eiser met zijn beperkingen drie functies kon vervullen, waarbij hij minstens 78,14% van zijn oude loon kon verdienen. De rechtbank vond geen reden om deze beoordeling te betwijfelen. Omdat de ZW-uitkering terecht was beëindigd, was de weigering van de WIA-uitkering ook terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering en de weigering van de WIA-uitkering.