Eiser was inburgeringsplichtig en kreeg een lening toegekend om aan deze plicht te voldoen. Na het niet voldoen aan de inburgeringsplicht werd hem een boete opgelegd en moest hij de lening terugbetalen. Eiser heeft meerdere keren om ontheffing gevraagd, waarvan het laatste verzoek werd toegewezen.
De minister handhaafde het besluit tot terugbetaling van de lening en verklaarde het bezwaar van eiser tegen de hoogte van de lening en het maandbedrag ongegrond. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen de hoogte van de lening en het maandbedrag, maar wel tegen de motivering en de toetsing van de evenredigheid van het besluit.
De rechtbank oordeelt dat de minister in bezwaar de evenredigheid van het primaire besluit had moeten toetsen, mede gelet op het ontbreken van een hardheidsclausule in de wet- en regelgeving en de omstandigheden van eiser. De minister heeft dit nagelaten en onvoldoende gemotiveerd waarom het bezwaar ongegrond is verklaard.
De rechtbank geeft de minister op grond van artikel 8:51a Awb de gelegenheid het gebrek te herstellen door een aanvullende motivering of een nieuwe beslissing op bezwaar. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak in deze zaak.