ECLI:NL:RBROT:2022:2051

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 maart 2022
Publicatiedatum
21 maart 2022
Zaaknummer
ROT 21/1613
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 AwbArt. 19 Verordening (EU) nr. 178/2002
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen buiten-zittinguitspraak inzake kwalificatie e-mail NVWA als besluit

Opposante heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van de Minister voor Medische zorg en dit beroep werd door de rechtbank ongegrond verklaard zonder zitting, omdat de e-mail van de NVWA niet als een besluit werd gezien maar als een bestuurlijk rechtsoordeel.

In het verzet stelt opposante dat de e-mail wel een appellabel besluit is, omdat deze gericht is op rechtsgevolgen en een plicht oplegt die niet voortvloeit uit de Verordening (EU) nr. 178/2002, maar door de NVWA is opgelegd. Opposante wijst op het escalatiesysteem van de NVWA dat leidt tot bestuurlijke boetes en stelt dat het onevenredig belastend zou zijn om deze boetes af te wachten.

De verzetrechter oordeelt dat het beroep niet buiten redelijke twijfel ongegrond is omdat het escalatiesysteem en het specifieke interventiebeleid van de NVWA mogelijk leiden tot een categorie B-overtreding met sancties, waardoor het beroep niet direct kan worden afgewezen zonder inhoudelijke behandeling.

Daarom wordt het verzet gegrond verklaard, vervalt de buiten-zittinguitspraak en wordt het onderzoek hervat. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt hervat, de eerdere buiten-zittinguitspraak vervalt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/1613

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2022 op het verzet van

[naam opposante], te [vestigingsplaats opposante], opposante

(gemachtigde: mr. M. van Tuijl).

Procesverloop

Opposante heeft tegen de beslissing op bezwaar van De Minister voor Medische zorg van 11 februari 2021 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 19 oktober 2021 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De rechtbank heeft het verzet op 3 maart 2022 op zitting behandeld. Opposante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam].

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de e-mail, waartegen opposante bezwaar heeft gemaakt, niet kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van de Awb omdat deze er niet op is gericht om verandering in de bestaande rechtsverhouding aan te brengen. De rechtbank heeft de e-mail aangemerkt als een bestuurlijk rechtsoordeel.
2. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat de e-mail van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) van 23 december 2020 dient te worden aangemerkt als een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De inhoud van die e-mail is namelijk gericht op een rechtsgevolg. De formulering in de e-mail (
“leidt hij onmiddellijk de procedures in om het betrokken levensmiddel uit de handel te nemen (…)”) vindt slechts toepassing wanneer de exploitant van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat het levensmiddel niet voldoet aan de voedselveiligheidsvoorschriften. Opposante had geen enkele reden om aan te nemen dat de partij sesamzaadjes niet aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldeed. De plicht om de partij uit de handel te halen volgt niet uit artikel 19 van Pro de Verordening (EU) nr. 178/2002 (hierna: de Verordening), maar is door de NVWA opgelegd bij de e-mail van 23 december 2020.
Opposante stelt verder dat de e-mail van 23 december 2020 niet kan worden aangemerkt als een bestuurlijk rechtsoordeel omdat in deze e-mail niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar artikel 19 van Pro de Verordening. Om die reden wordt niet voldaan aan de in de rechtspraak geformuleerde voorwaarden voor een bestuurlijk rechtsoordeel. Dat opposante zelf de mededeling heeft gedaan en daardoor op de hoogte zou moeten zijn van het toepasselijke recht doet daaraan niet af.
Opposante betoogt dat artikel 19 van Pro de Verordening niet van toepassing is. Dit artikel bevat de rechten en plichten van een exploitant van een levensmiddelenbedrijf in het geval hij van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een levensmiddel dat hij ingevoerd, geproduceerd, verwerkt, vervaardigd of gedistribueerd heeft niet voldoet aan de voedselveiligheidsvoorschriften. Een dergelijke plicht rust niet op opposante omdat zij geen reden had om aan te nemen dat de partij niet voldeed aan de voedselveiligheidsvoorschriften. Uit een her-analyse is namelijk gebleken dat de partij niet is gecontamineerd met ethyleendioxide.
Opposante stelt verder dat, in het geval sprake is van een bestuurlijk rechtsoordeel, dit oordeel dient te worden gelijkgesteld met een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Uit hetgeen in de uitspraak van 19 oktober 2021 is overwogen dient opposante af te wachten totdat de NVWA handhavend zou optreden om vervolgens daartegen in rechte op te komen. Opposante stelt dat dit onevenredig belastend is. Indien opposante de lading niet uit de handel zou halen zou namelijk hoe dan ook een bestuurlijke boete worden opgelegd, gelet op het Specifiek interventiebeleid inspectie levensmiddelen en voedselveiligheid geregistreerde bedrijven. Ter zitting heeft opposante verwezen naar een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) van 1 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:515 waarin is geoordeeld dat Skal gebruik maakt van een escalatieladder bij geconstateerde overtredingen. Aan een overtreding die de classificatie “ernstig” of “kritiek” krijgt, worden zwaardere rechtsgevolgen verbonden dan aan overtredingen die de classificatie “licht” krijgen toebedeeld. Opposante betoogt dat de NVWA met het Specifiek interventiebeleid inspectie levensmiddelen en voedselveiligheid geregistreerde bedrijven [1] (hierna: het specifieke interventiebeleid) ook gebruik maakt van een escalatiesysteem omdat een overtreding van artikel 19 van Pro de Verordening een categorie B-overtreding [2] is die altijd leidt tot een bestuurlijke boete. Op grond van het specifieke interventiebeleid zou de NVWA binnen drie maanden na de overtreding een her-inspectie moeten verrichten om te beoordelen of opposante zich aan de mededeling van de NVWA zou hebben gehouden. Indien opposante geen gevolg zou hebben gegeven aan de mededeling, zou wederom een bestuurlijke boete worden opgelegd. Op grond van het Algemene interventiebeleid van de NVWA is dan sprake van recidive. [3] Op die manier zou opposante zich blootstellen aan de steeds zwaarder wordende sancties teneinde het geschil in een rechterlijke procedure tegen een punitieve sanctie aan de orde te stellen. Dit is onevenredig belastend voor opposante.
Opposante verwijst in het verzetschrift verder naar een uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:453, waarin een bestuurlijk rechtsoordeel is gelijkgesteld met een besluit. Opposante heeft niet de mogelijkheid om het geschil via een andere weg dan door middel van beroep aan de orde te stellen. Hierna heeft opposante gronden aangevoerd die zien op de inhoudelijke beoordeling van het beroep.
3. In deze verzetzaak beoordeelt de verzetrechter uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De verzetrechter ziet in wat opposante heeft aangevoerd aanleiding het verzet gegrond te verklaren. Daartoe overweegt de verzetrechter dat opposante (vanwege een mogelijk escalatiesysteem) in een situatie verkeert als waarop de uitspraak van het College van 1 juni 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:515) ziet. Het specifieke interventiebeleid van de NVWA is onder meer van toepassing op artikel 19 van Pro de Verordening. Uit bijlage 1 bij het specifieke interventiebeleid blijkt dat mogelijk sprake is van een categorie B-overtreding. Op grond van het specifieke interventiebeleid worden verschillende soorten sancties verbonden aan de verschillende categorieën overtredingen (variërend van A tot en met D). Gelet daarop is het betoog van opposante, dat het onevenredig belastend zou kunnen zijn om een bestuurlijke boete af te wachten en daartegen rechtsmiddelen aan te wenden, niet op voorhand onjuist. Het is niet buiten redelijke twijfel dat het beroep ongegrond is, zodat de rechtbank bij de uitspraak van 19 oktober 2021 niet met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb op het beroep kon beslissen.
5. Het verzet is gegrond. Dit betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek zal hervatten in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2022.
De griffier en rechter zijn verhinderd de uitspraak te tekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie voor het specifieke interventiebeleid:
2.Dit blijkt uit het specifieke interventiebeleid en bijlage 1 ervan.
3.Zie voor het algemene interventiebeleid: