ECLI:NL:RBROT:2022:2055
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en psychosociale problematiek
Verzoeker diende een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van ruim €200.000, grotendeels voortkomend uit een voormalige eenmanszaak. De rechtbank beoordeelde of verzoeker te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Daarbij speelde mee dat verzoeker zijn onderneming overdroeg aan zijn stiefdochter zonder dit te melden, en dat hij contante betalingen verrichtte zonder goede administratie.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw had gehandeld. Daarnaast was er gegronde vrees dat verzoeker de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet zou kunnen nakomen vanwege ernstige psychosociale problemen, waaronder stress en medicijngebruik, die niet voldoende onder controle waren. De rechtbank verwees naar landelijke beoordelingscriteria die toelating bij dergelijke problematiek beperken.
De rechtbank wees het verzoek daarom af, met de mogelijkheid voor verzoeker om bij voldoende stabilisatie van zijn situatie een nieuw verzoek in te dienen. Tevens werd gewezen op de gevolgen van tussentijdse beëindiging van de regeling en de termijn van tien jaar waarin geen nieuw beroep kan worden gedaan.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende beheersbare psychosociale problematiek.