ECLI:NL:RBROT:2022:2158
Rechtbank Rotterdam
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor VOG-aanvraag gastouderwoning
Verzoeker, wonend bij zijn moeder die een gastouderbureau aan huis heeft, moest vanaf zijn 18e een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) overleggen. Zijn aanvraag werd afgewezen vanwege een strafrechtelijke veroordeling drie jaar eerder voor geweldpleging en diefstal. De afwijzing had tot gevolg dat zijn moeder haar gastouderactiviteiten moest staken, wat het gezinsinkomen aantastte.
De voorzieningenrechter oordeelde dat, hoewel het objectieve criterium voor afwijzing mogelijk was vervuld, verweerder onvoldoende rekening hield met het subjectieve criterium. Verzoeker had zijn behandeling positief afgerond, volgde een opleiding, liep stage, werkte en woonde zonder incidenten bij zijn moeder. De voorzieningenrechter zag geen reden om te verwachten dat verzoeker meer moest doen om een VOG te verkrijgen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waardoor verzoeker tot zes weken na de beslissing op bezwaar als in het bezit van een VOG wordt beschouwd. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en verzoeker wordt tot zes weken na bezwaar als houder van een VOG behandeld.