ECLI:NL:RBROT:2022:2161
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongemotiveerde vrijspraak voorbereidingshandelingen Opiumwet wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van strafbare voorbereidingshandelingen in verband met de Opiumwet, gepleegd tussen november 2018 en januari 2019. De tenlastelegging betrof het opzettelijk voorbereiden en bevorderen van een strafbaar feit met verboden stoffen zoals azijnzuuranhydride en natriumcarbonaat.
De verdediging voerde aan dat de dagvaarding partieel nietig was omdat het Openbaar Ministerie geen keuze had gemaakt tussen de verboden genoemd in artikel 10a, eerste lid, onder 2 en 3 Opiumwet. De rechtbank oordeelde echter dat de dagvaarding voldoende concreet en duidelijk was en daarmee geldig volgens artikel 261 Sv Pro.
De officier van justitie vorderde vrijspraak en de rechtbank volgde dit standpunt. Het ten laste gelegde was niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte werd daarom vrijgesproken zonder nadere motivering. De rechtbank verklaarde tevens de dagvaarding geldig ondanks het aangevoerde verweer.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van strafbare voorbereidingshandelingen wegens onvoldoende bewijs.