ECLI:NL:RBROT:2022:2204

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 maart 2022
Publicatiedatum
25 maart 2022
Zaaknummer
ROT 20/3425
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.C.W. van der Feltz
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Besluit proceskosten bestuursrechtBesluit proceskosten bestuursrechtWet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding kosten taxatierapport bij WOZ-waardebepaling is redelijk

In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vergoeding van kosten voor een door eiser ingediend taxatierapport in het kader van een WOZ-waardebepaling centraal. Verweerder had de waarde van de onroerende zaak vastgesteld en na bezwaar verlaagd, maar weigerde vergoeding van de kosten van het taxatierapport toe te kennen. Eiser stelde dat het rapport wel degelijk relevant was en dat de weigering onterecht was.

De rechtbank beoordeelde het taxatierapport kritisch en constateerde dat het grotendeels bestond uit algemeenheden en niet voldeed aan de gebruikelijke inhoud van een taxatierapport. Desondanks vond de rechtbank dat het redelijk was dat eiser zich voorzag van een eigen taxatierapport en dat de kwaliteit of inhoud niet beslissend is voor vergoeding. De redelijkheidstoets werd toegepast op de kosten en het tarief van twee uur maal €53,- werd als passend beschouwd.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de kostenvergoeding betrof en stelde de vergoeding voor de rechtsbijstand en het taxatierapport vast op respectievelijk €265,- en €128,26, plus een vergoeding voor een kadastraal uittreksel. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierecht. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit.

Uitkomst: De rechtbank kent vergoeding toe voor het taxatierapport en proceskosten en vernietigt het bestreden besluit voor zover het de kostenvergoeding betreft.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/3425

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2022 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaats] , eiser,

gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ,
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [naam gemeente] , verweerder,

gemachtigde: mr. F.J. Verschuren.

Procesverloop

Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), gedagtekend 31 januari 2020, heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak [adres] te [naam gemeente] (hierna: de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op € 182.000,-.
Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 19 mei 2020 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de waarde nader vastgesteld op € 170.000,-. Verweerder heeft hierbij aan eiser een kostenvergoeding in bezwaar toegekend van € 268,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De kosten van het ingediende taxatierapport zijn door verweerder niet vergoed.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2021.
Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, [naam gemachtigde 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam gemachtigde 2] .
Door persoonlijke omstandigheden van de rechter die de zitting heeft geleid wordt deze uitspraak gedaan door een andere rechter. Partijen hebben geen gebruikt gemaakt van de hen geboden gelegenheid om een nieuwe zitting te vragen naar aanleiding van deze wisseling van rechter.

Overwegingen

1. In geschil is de hoogte van de in bezwaar aan eiser toegekende kostenvergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in het bijzonder de vergoeding voor het door een deskundige uitgebrachte taxatierapport.
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor het uitgebrachte taxatierapport. De uitspraak (ECLI:NL:RBNHO:2020:728) is volgens eiser niet relevant in deze zaak wegens andere feiten en omstandigheden. Verder voert eiser aan dat verweerder de in het uitgebrachte taxatierapport waarde gebruikt als nieuwe waarde en de inhoud van het taxatierapport niet perse hoeft bij te dragen aan de uitkomst van het bezwaar.
3. Verweerder voert aan dat het als “taxatierapport” overgelegd document geen taxatierapport is. Van de acht bladzijden is er (afgezien van de adresgegeven, de conclusie op p. 1 en enige afbeeldingen (aangeduid als “Foto presentatie”) op p. 7) maar één met informatie die de onroerende zaak betreft. Daarop wordt de door verweerder bepaalde waarde van de onroerende zaak vergeleken met drie transacties rond de peildatum van vergelijkbare woningen. Over de staat van de onroerende zaak bevat het rapport niet meer dan de mededeling dat er geen opname is geweest en dat de eigenaar deze minder goed acht. Op de staat van der vergelijkingsobjecten en de hoogte van de reserves VvE ten tijde van de transacties wordt in het geheel niet ingegaan. Daarbij komt dat de opsteller ervan, [naam bedrijf] , alle taxatierapporten van de gemachtigde van eiser opmaakt en er dus geen sprake kan zijn van onafhankelijkheid. Verweerder erkent in bezwaar te zijn gekomen tot eenzelfde waarde als die van het uitgebrachte taxatierapport. Dat is echter gebeurd aan de hand van andere vergelijkingsobjecten. Het taxatierapport had voor verweerder in de bezwaarfase geen meerwaarde boven het bezwaar.
4. Op grond van de aanhef en onderdelen a en b van artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) komen voor vergoeding onder meer in aanmerking de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Het bedrag van de kosten van rechtsbijstand wordt vastgesteld volgens het zogenoemde puntensysteem zoals dat is opgenomen in de Bijlage bij het Besluit.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. Een belangrijk deel van het taxatierapport van eiser bestaat uit algemeenheden, waarvan niet duidelijk wordt of ze bij de beoordeling van de waarde van de onroerende zaak door de taxateur van eiser enige rol hebben gespeeld. Voor het overgrote deel is het taxatierapport van eiser dan ook geen rapportage van een taxatie in de eigenlijke betekenis van het woord, maar een algemeen en voor de discussie over de waarde van de onroerende zaak betekenisloos betoog. De rechtbank acht het negatieve oordeel van verweerder dan ook begrijpelijk, maar voor de vergoeding is slechts bepalend of het redelijk was dat de belanghebbende een taxatie heeft laten maken en of de kosten die daarvoor in rekening zijn gebracht redelijk zijn. De stelling dat het document helemaal geen taxatierapport is volgt de rechtbank niet. Niet bepalend is de kwaliteit van het taxatierapport en evenmin is bepalend of de inhoud van het taxatierapport heeft bijgedragen tot de herroeping van verweerders oorspronkelijke beslissing.
6. In een zaak waarin de waardevaststelling op basis van de WOZ een rol speelt is het redelijk dat eiser zich voorziet van een eigen taxatierapport en ingevolge de richtlijnen van de belastingkamers van de gerechtshoven is een tarief van twee uur maal € 53,- niet onredelijk. Daarmee is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets en is er geen reden om de kosten van het uitgebrachte taxatierapport niet te vergoeden.
7. Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond. De beslissing op bezwaar wordt vernietigd voor zover daarin de kostenvergoeding is toegekend, voor het overige blijft deze in stand. De rechtbank stelt de kostenvergoeding in bezwaar voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 265,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, waarde per punt € 265,-, wegingsfactor 1). De vergoeding voor het door een deskundige uitgebrachte taxatierapport zal de rechtbank vaststellen op € 128,26 (2 uur maal € 53,-, vermeerderd met 21% BTW) en € 7 voor een kadastraal uittreksel. De rechtbank stelt deze uitspraak in de plaats van het bestreden besluit.
8. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Gezien het feit dat in de beroepsfase uitsluitend nog de door verweerder in de bezwaarfase toegekende proceskostenvergoeding aan de orde was, past de rechtbank voor de beroepsfase een wegingsfactor toe van 0,5. De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 534,-; wegingsfactor 0,5). Verweerder dient tevens het griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden. Omdat verweerder al € 268,- heeft betaald in de bezwaarfase, moet hij nog € 626,26 aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover daarin de kostenvergoeding is toegekend en laat deze voor het overige in stand;
- stelt de kostenvergoeding voor de door een derde in bezwaar beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 265,-;
- stelt de vergoeding voor het door een deskundige uitgebracht taxatierapport vast op
€ 128,26;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 534,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van mr. N.E. Moerkerken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2022.
griffier
De rechter is verhinderd te tekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).