Eiseres vroeg een tegemoetkoming op grond van de NOW-1 vanwege een verwacht omzetverlies van 60% over de periode 1 maart tot en met 31 mei 2020. Verweerder kende een voorschot toe en stelde later de definitieve tegemoetkoming vast, waarbij een bedrag werd teruggevorderd wegens een lagere loonsom dan verwacht.
Eiseres betwistte de hoogte van de definitieve tegemoetkoming en stelde dat bij de correctie rekening had moeten worden gehouden met het omzetverliespercentage. Verweerder handhaafde het besluit en stelde dat de correctie volgens artikel 7, tweede lid, NOW-1 moest plaatsvinden zonder rekening te houden met het omzetverliespercentage.
De rechtbank bevestigde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze wijze van berekening om het doel van de regeling, het behoud van werkgelegenheid, te waarborgen. Correctie voor omzetverlies zou de prikkel voor werkgevers om personeel te behouden wegnemen en leiden tot onterechte subsidies.
De rechtbank concludeerde dat verweerder de regeling correct heeft toegepast en dat er geen ruimte is voor afwijking. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.