Eiseres diende een aanvraag in voor een tegemoetkoming op grond van de derde Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3), vierde tranche. Verweerder wees de aanvraag af omdat de loonkosten in juni 2020 volgens de polisadministratie nul euro bedroegen, wat bevestigd werd door een tijdige nul-aangifte. Eiseres stelde dat deze nul-aangifte betekende dat er geen loongegevens waren en dat daarom de loongegevens van april 2020 in aanmerking genomen hadden moeten worden.
De rechtbank oordeelde dat de loongegevens over juni 2020 wel beschikbaar waren en dat de regeling voorschrijft dat in beginsel van deze maand moet worden uitgegaan. Afwijken naar een andere referentiemaand is alleen toegestaan indien er geen loongegevens over juni beschikbaar zijn, wat hier niet het geval was. De rechtbank verwees naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ter ondersteuning.
Eiseres voerde aan dat de omstandigheden die tot de nul-aangifte leidden buiten haar invloedsfeer lagen en dat toepassing van artikel 19, tweede lid, NOW-3 onevenredig was. De rechtbank stelde vast dat de NOW-regeling een generiek karakter heeft en dat maatwerk niet mogelijk is vanwege de noodzaak van snelle en uniforme uitvoering. De minister had expliciet gekozen voor juni 2020 als referentiemaand om misbruik te voorkomen en uitvoerbaarheid te waarborgen.
De rechtbank concludeerde dat toepassing van artikel 19, tweede lid, NOW-3 niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er was geen reden om dit artikel buiten toepassing te laten en alsnog rekening te houden met april 2020. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de subsidieaanvraag bevestigd.