ECLI:NL:RBROT:2022:2409

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 april 2022
Publicatiedatum
30 maart 2022
Zaaknummer
ROT 21/1290
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep briefadresaanvraag afgewezen

Opposante had beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag om een briefadres. De rechtbank had dit beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de beslistermijn nog niet was verstreken en geen spoedeisend belang werd aangenomen.

Tegen deze uitspraak stelde opposante verzet in, stellende dat er wel sprake was van spoedeisendheid vanwege het blokkeren van haar bijstandsuitkering en dreigende beëindiging van haar zorgverzekering, mede doordat zij was uitgeschreven uit de basisregistratie personen.

De verzetrechter overwoog dat in verzet alleen wordt beoordeeld of de eerdere niet-ontvankelijkverklaring terecht was en dat inhoudelijke beoordeling pas aan de orde komt indien het verzet gegrond wordt verklaard. De rechtbank oordeelde dat het spoedeisend karakter niet was aangetoond en dat de enkele stelling omtrent de blokkering van de uitkering onvoldoende was.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de eerdere uitspraak in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/1290

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2022 op het verzet van

[opposante] (geboren op [geboortedatum] ), te [geboorteplaats] , opposante

(gemachtigde: mr. N. Talhaoui).

Procesverloop

Op 5 maart 2021 heeft opposante beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op
haar aanvraag om een briefadres.
Bij uitspraak van 5 oktober 2021 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De rechtbank heeft het verzet op 3 maart 2022 op zitting behandeld. Opposante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder (het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam) heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon A] en [persoon B] .

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de beslistermijn ten tijde van het instellen van beroep nog niet was verstreken en er geen grond was om een spoedeisend belang aan te nemen. Daarmee is geen aanleiding geweest om uit te gaan van een kortere beslistermijn.
2. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat wel degelijk sprake was van spoedeisendheid en om die reden een verkorte beslistermijn gerechtvaardigd was. Van opposante kon redelijkerwijs niet worden verwacht om verweerder nog eerst in gebreke te stellen. Zij was reeds uitgeschreven uit de basisregistratie personen (brp) waardoor de uitbetaling van haar bijstandsuitkering werd geblokkeerd. Om diezelfde reden dreigde haar zorgverzekering te worden beëindigd. Het ging niet om een standaardaanvraag van een briefadres, maar om een aanvraag van een briefadres van een persoon die al was uitgeschreven uit de brp. De gemeente Rotterdam was hier destijds van op de hoogte en heeft tegelijkertijd geen hulp geboden.
3. In deze verzetzaak beoordeelt de verzetrechter uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De verzetrechter overweegt het volgende. Het spoedeisend karakter van een aanvraag kan met zich brengen dat een beslistermijn van enkele weken of – in uitzonderlijke gevallen – zelfs enkele dagen als de redelijke termijn in de zin van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt. Bij dit laatste valt te denken aan gevallen waarin de rechtsbescherming vereist dat snel wordt beslist en snel een voorziening kan worden gevraagd met het oog op een (dreigende) onomkeerbare of schrijnende situatie. Daarvan zal sprake (kunnen) zijn indien verweerder noch rechtstreeks noch indirect via andere instanties enige feitelijke opvang biedt aan hulpbehoevenden. Niet is gebleken van zulke omstandigheden. De enkele stelling dat de betaling van de bijstandsuitkering in februari 2020 is geblokkeerd kan niet leiden tot een ander oordeel.
5. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de verzetrechter dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 5 oktober 2021. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2022.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te tekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.