ECLI:NL:RBROT:2022:2477

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 februari 2022
Publicatiedatum
1 april 2022
Zaaknummer
9354230 CV EXPL 21-24875
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens dagvaarding verkeerde partij in huurovereenkomst campingstandplaats

Eiser vorderde betaling van onverschuldigde bedragen die hij meent te hebben betaald aan gedaagde in het kader van een huurovereenkomst voor een standplaats op een camping. De overeenkomst betrof de huur van een standplaats voor een stacaravan, gesloten in 2013 en geëindigd in 2020.

Gedaagde stelde primair dat zij niet de juiste contractspartij was, omdat het campingbedrijf en de exploitatie in 2014 economisch waren overgedragen aan een ander bedrijf. Subsidiair betwistte gedaagde de vordering en stelde zij nog een vordering te hebben op eiser.

De kantonrechter oordeelde dat uit de huurovereenkomst bleek dat de contractspartij niet gedaagde was, maar een andere entiteit. Er waren geen feiten die het tegendeel konden bewijzen. Daarom was eiser terecht niet-ontvankelijk omdat hij de verkeerde partij had gedagvaard.

De vordering werd op formele gronden afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden vastgesteld omdat gedaagde de procedure in eigen hand hield.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen omdat eiser de verkeerde partij heeft gedagvaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9354230 CV EXPL 21-24875
uitspraak: 25 februari 2022 (bij vervroeging)
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
gemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal,
tegen
[gedaagde]
,
gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde], kantoorhoudende te [plaatsnaam],
gedaagde.
Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “[gedaagde]”

1..Het verloop van de procedure

1.1
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
  • het exploot van dagvaarding van 13 juli 2021, met producties;
  • de aantekeningen van het mondelinge verweer van 29 juli 2021 en het schriftelijke verweer van [gedaagde], met producties;
  • de conclusie van repliek, met producties;
  • de schriftelijke reactie van [gedaagde] op de conclusie van repliek;
  • het tussenvonnis van 29 november 2021, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
  • de voorafgaande aan de mondelinge behandeling aan de zijde van [eiser] overgelegde brief van 25 januari 2022, met productie 8.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 februari 2022. Deze zitting heeft via Skype plaatsgevonden. [eiser] is in persoon verschenen, vergezeld door [naam 1] en bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Aan de zijde van [gedaagde] zijn [naam 2] en [naam 3] verschenen. Partijen hebben hun standpunten (nader) toegelicht. Van hetgeen ter mondelinge behandeling is verhandeld heeft de griffier aantekening gehouden.
1.3
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis (bij vervroeging) bepaald op heden.

2..De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.
2.1
[eiser] heeft op 29 november 2013 een “huurovereenkomst vaste plaatsen” gesloten met betrekking tot de huur van een standplaats ten behoeve van een stacaravan op [naam camping], staande en gelegen op (vak)nummer [nummer] te [plaatsnaam] (hierna: de huurovereenkomst).
2.2
In de huurovereenkomst is het volgende - voor zover thans van belang - vermeld:
[naam camping]
Huurovereenkomst vaste plaatsen
Ondergetekenden:
1. 2.
[naam camping]
Naam: [eiser]
[adres]
[telefoonnummer]
Bankrekeningnummer: [bankrekeningnummer]
t.n.v. [naam rekeninghouder]
Komen op 29 november 2013 overeen, dat de recreant per direct het recht verkrijgt voor recreatieve doeleinden een kampeermiddel te plaatsen op de in dit contract genoemde plaats.
(…)”
2.3
De huurovereenkomst is geëindigd per 31 december 2020.

3..De vordering

3.1
[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 4.072,47 aan hoofdsom en een bedrag van € 478,40 aan buiten-gerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.072,47 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2
Aan zijn vordering heeft [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.
3.2.1
[eiser] heeft gedurende de huurovereenkomst tussen [gedaagde] (als verhuurder) en [eiser] (als huurder) over de jaren 2014 tot en met 2020 een bedrag van in totaal € 4.072,47 aan stageld en water en elektra onverschuldigd betaald aan [gedaagde]. [eiser] heeft een bedrag van in totaal € 19.117,16 betaald, terwijl hij blijkens de facturen van [gedaagde] die door [eiser] zijn ontvangen, een bedrag van € 15.623,09 had moeten betalen. [eiser] heeft in zoverre dus een bedrag van € 3.494,07 te veel betaald. Daarnaast heeft [gedaagde] over de jaren 2018 tot en met 2020 te veel huur per m2 in rekening gebracht. De huurprijs bedraagt volgens de website van [gedaagde] € 10,00 per m2. [eiser] huurde in die jaren 168 m2, zodat hij aan huur een bedrag van € 1.680,00 per jaar verschuldigd was. [gedaagde] heeft in 2018 echter € 1.833,39, in 2019
€ 1.868,22 en in 2020 € 1.916,79 in rekening gebracht, derhalve in totaal een bedrag van
€ 578,40 te veel. Ook dat bedrag heeft [eiser] onverschuldigd betaald. Dit brengt het door [eiser] onverschuldigd betaalde bedrag op in totaal € 4.072,47.
3.2.2
[gedaagde] heeft ondanks sommatie het voormelde bedrag van
€ 4.072,47 niet terugbetaald aan [eiser] . De incassokosten van € 418,00 komen voor rekening van [gedaagde], omdat door de gemachtigde van [eiser] werkzaamheden zijn verricht ter incasso van de vordering. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro.
3.3
Op hetgeen verder nog door [eiser] is aangevoerd, voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, wordt hierna teruggekomen.

4..Het verweer

4.1
[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft geconcludeerd tot afwijzing daarvan en tot toewijzing van de vordering van [gedaagde], met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Daartoe heeft [gedaagde] het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd.
4.2
Primair heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat [eiser] de verkeerde partij heeft gedagvaard. [eiser] had niet [gedaagde] moeten dagvaarden, maar [naam bedrijf 1] /[naam camping].
[gedaagde] heeft het gehele campingbedrijf, dus ook de totale exploitatie, in november 2014 economisch (alle lusten en lasten) overgedragen aan [naam bedrijf 1] . Ook was [gedaagde] geen partij bij het aangaan van de huurovereenkomst in november 2013. [gedaagde] is dus geen contractspartij van [eiser] en is ten onrechte gedagvaard.
4.3
Subsidiair, voor het geval wordt geoordeeld dat [gedaagde] wel terecht is gedagvaard, betwist [gedaagde] dat zij nog een bedrag is verschuldigd aan [eiser] . [gedaagde] stelt zich juist op het standpunt dat zij nog een bedrag van € 1.159,09 van [eiser] te vorderen heeft. Ter onderbouwing daarvan wordt verwezen naar de door [gedaagde] overgelegde berekeningen met toelichting van haar accountant op basis van de bij [eiser] in rekening gebrachte en in het geding gebrachte facturen en de betalingen die door [eiser] zijn gedaan. Het in de huurovereenkomst overeengekomen tarief met betrekking tot het standplaatsgeld per m2 gaat boven een algemene vermelding op de website.
4.4
Op hetgeen verder nog door [gedaagde] is aangevoerd, voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, wordt hierna teruggekomen.

5..De beoordeling van de vordering

5.1
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat zij de huurovereenkomst niet is aangegaan met [eiser] , zodat [gedaagde] geen contractspartij is van [eiser] . De kantonrechter oordeelt daarover als volgt.
5.2
De kantonrechter stelt vast dat bovenaan de huurovereenkomst, die hiervoor (deels) is geciteerd, is vermeld “[naam camping]”. Ook onder “Ondergetekenden” is “[naam camping]” vermeld als contractspartij van [eiser] . Nergens in de huurovereenkomst staat [gedaagde]. Ook is het KvK-nummer van [gedaagde] niet in de huurovereenkomst vermeld en is het bankrekeningnummer dat daarop staat niet van [gedaagde], maar van [naam bedrijf 2] . Uit het door [eiser] overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de KvK van [naam bedrijf 2] (die overigens per 19 november 2019 is opgehouden te bestaan en daarom is uitgeschreven uit het handelsregister van de KvK) blijkt dat één van de twee bestuurders van deze vennootschap [naam bedrijf 3] was. [naam bedrijf 3] is, zoals blijkt uit het door [gedaagde] overgelegde uittreksel uit de KvK van [naam bedrijf 1] , enig aandeelhouder/bestuurder van [naam bedrijf 1] . Er bestaat op basis van de inhoud van de huurovereenkomst geen enkel aanknopingspunt dat ertoe kan leiden dat die overeenkomst is aangegaan door [gedaagde] als verhuurder. Evenmin zijn er door [eiser] feiten en/of omstandigheden (die zijn gebaseerd op de huurovereenkomst) aangedragen die die conclusie wel kunnen rechtvaardigen.
5.3
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat er in rechte niet vanuit kan worden gegaan dat de huurovereenkomst van 29 november 2013 tussen enerzijds [eiser] en anderzijds [gedaagde] tot stand is gekomen. Nu de vordering van [eiser] uit onverschuldigde betaling (alleen) is gegrond op deze overeenkomst, is [eiser] ten onrechte tot dagvaarding van [gedaagde] overgegaan. [eiser] heeft de verkeerde partij gedagvaard.
5.4
De conclusie is dat de vordering (op formele gronden) wordt afgewezen. De kantonrechter komt dan ook niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering.
De nevenvorderingen delen in het lot van afwijzing van de hoofdsom.
5.5
Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen bespreking.
5.6
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van De Witte Plas B.V. worden vastgesteld op nihil, aangezien zij de procesvoering in eigen hand heeft gehouden.

6..De beslissing

De kantonrechter:
wijst de vordering van [eiser] af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. D.L. Spierings en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
764