De rechtbank Rotterdam heeft op 31 maart 2022 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd verdacht van witwassen van een bedrag van €108.900,00. De verdachte was bestuurder en aandeelhouder van een bedrijf dat werd gebruikt als vehikel voor het ontvangen en overmaken van geld dat uit misdrijf afkomstig zou zijn. De officier van justitie eiste deels vrijspraak en deels veroordeling, maar de rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om te concluderen dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld een illegale herkomst had.
De verdachte ontkende kennis te hebben gehad van de criminele herkomst van het geld en voerde aan geen werkzaamheden binnen het bedrijf te hebben verricht. Hoewel hij meerdere keren contant geld van de rekening van het bedrijf had opgenomen en aan een medeverdachte had gegeven, vond de rechtbank dit onvoldoende bewijs voor wetenschap of vermoeden van witwassen. Ook de verklaring dat het gerenommeerde bedrijf eerder grote bedragen had overgemaakt, en dat de medeverdachte had verklaard dat werkzaamheden waren verricht, droeg niet bij aan het bewijs.
De benadeelde partij had een schadevergoeding van ruim €1,3 miljoen gevorderd, maar werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard omdat aan de verdachte geen straf of maatregel was opgelegd. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van de verdediging, welke nihil werden begroot.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten en wees de vordering van de benadeelde partij af wegens niet-ontvankelijkheid. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken op een openbare terechtzitting.