Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:2636

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 februari 2022
Publicatiedatum
8 april 2022
Zaaknummer
FT EA 22/35 en FT EA 22/36 en FT EA 22/37 en FT EA 22/38
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing dwangakkoord tegen weigering schuldeiser Camping bij schuldregeling

Verzoekers dienden een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om Camping [naam camping] te bevelen in te stemmen met een schuldregeling die zij aan hun schuldeisers aanboden. De regeling voorzag in een gedeeltelijke betaling van de totale schuld, gebaseerd op hun afloscapaciteit bij voortzetting van hun WIA-uitkeringen. Twintig van de eenentwintig schuldeisers stemden in, maar Camping weigerde zonder gemotiveerd verweer.

De rechtbank oordeelde dat de vordering van Camping slechts 2,6% van de totale schuldenlast betrof en dat het voorstel door een onafhankelijke partij was getoetst en goed gedocumenteerd was. Correcties in de VTLB-berekening hadden geen invloed op de afloscapaciteit. Verzoekers zijn beiden arbeidsongeschikt verklaard, waardoor geen hogere aflossingscapaciteit te verwachten is.

De rechtbank vond dat het voorstel het maximaal haalbare was en dat de belangen van verzoekers en de overige schuldeisers zwaarder wegen dan het belang van Camping bij volledige betaling. De toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zou minder opleveren voor schuldeisers. Daarom werd het verzoek tot dwangakkoord toegewezen en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank beveelt Camping [naam camping] om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling en wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
[nummer 3] en [nummer 4]
uitspraakdatum: 25 februari 2022
in de zaak van:
[verzoeker]en
[verzoekster]
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekers.

1..De procedure

Verzoekers hebben op 11 januari 2022, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om Camping [naam camping] (hierna: [naam camping] ), die weigert mee te werken aan een door verzoekers aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 21 februari 2022 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekers;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw M. Brouwer, werkzaam bij Mijnbudgetcoach.nl B.V. (hierna: beschermingsbewindvoerder)
  • mevrouw [persoon B] , eveneens werkzaam bij Mijnbudgetcoach.nl B.V..
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Het verzoek

Verzoekers hebben volgens het ingediende verzoekschrift eenentwintig schuldeisers, met in totaal twee preferente vorderingen en zesentwintig concurrente vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 90.805,35 van verzoekers te vorderen.
Verzoekers hebben bij brief van 10 september 2021 een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, inhoudende een betaling van 4,96 % aan de preferente schuldeisers en 2,48 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De schuldenlast bedroeg op dat moment € 91.107,28, maar is later naar beneden bijgesteld naar € 90.805,35. Als gevolg van deze wijziging (een verlaging in de schuldenlast), is het aanbod bijgesteld naar een betaling van 5,04 % aan de preferente schuldeisers en 2,52 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.
De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm.
De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekers hebben op basis van ongewijzigde voortzetting van de WIA-uitkering van verzoeker en WIA-uitkering van verzoekster. Verzoekers zijn beiden voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard.
Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.
Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke hebben gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden. Verzoekers hebben sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en hun vaste lasten worden inmiddels door hun beschermingsbewindvoerder voldaan.
Twintig schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [naam camping] stemt hier niet mee in. Hij heeft een vordering van € 2.390,06 op verzoekers, welke 2,6 % van de totale schuldenlast beloopt.

3..Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft [naam camping] geen reden opgegeven voor zijn weigering. [naam camping] heeft enkel aan schuldhulpverlening gevraagd waarom het in de lijn der verwachting is dat er niets gaat wijzigen in de inkomensgegevens van verzoekers.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [naam camping] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn standpunten ter zitting toe te lichten.

4..De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100 % van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [naam camping] bij zijn weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [naam camping] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekers of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [naam camping] een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 2,6 %. De overige schuldeisers zijn met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Sociale Dienst Drechtsteden. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht.
Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de VTLB-berekening, op welke berekening de afloscapaciteit van verzoekers is gebaseerd, reiskosten en kosten voor beschermingsbewind zijn meegenomen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de reiskosten en vermoedelijk ook de kosten voor beschermingsbewind ten onrechte zijn meegenomen in de berekening. Tijdens de zitting is er een nieuwe VTLB-berekening opgesteld, waarin de correcties met betrekking tot de reiskosten en de kosten voor beschermingsbewind niet zijn meegenomen. Gebleken is dat het niet opnemen van deze correcties geen invloed heeft op de aflossingscapaciteit en het aangeboden akkoord. Verder is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting gebleken dat verzoekers niet beschikken over betaald werk. Zij zijn beiden voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard. Voldoende aannemelijk is geworden dat naar verwachting de komende jaren geen aanvullend inkomen resulterend in een hogere afdrachtsmogelijkheid zal kunnen worden gegenereerd. Het voorstel is dan ook te beschouwen als het maximaal haalbare.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekers van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht.
Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekers die vanuit een stabiele situatie hun schuldenproblematiek willen oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van [naam camping] , die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om [naam camping] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
[naam camping] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekers zullen kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden en dat zij niet verkeren in de toestand dat zij hebben opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- beveelt [naam camping] om in te stemmen met de door verzoekers aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt [naam camping] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekers begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2022. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.