Verzoekers dienden een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om Camping [naam camping] te bevelen in te stemmen met een schuldregeling die zij aan hun schuldeisers aanboden. De regeling voorzag in een gedeeltelijke betaling van de totale schuld, gebaseerd op hun afloscapaciteit bij voortzetting van hun WIA-uitkeringen. Twintig van de eenentwintig schuldeisers stemden in, maar Camping weigerde zonder gemotiveerd verweer.
De rechtbank oordeelde dat de vordering van Camping slechts 2,6% van de totale schuldenlast betrof en dat het voorstel door een onafhankelijke partij was getoetst en goed gedocumenteerd was. Correcties in de VTLB-berekening hadden geen invloed op de afloscapaciteit. Verzoekers zijn beiden arbeidsongeschikt verklaard, waardoor geen hogere aflossingscapaciteit te verwachten is.
De rechtbank vond dat het voorstel het maximaal haalbare was en dat de belangen van verzoekers en de overige schuldeisers zwaarder wegen dan het belang van Camping bij volledige betaling. De toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zou minder opleveren voor schuldeisers. Daarom werd het verzoek tot dwangakkoord toegewezen en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.