ECLI:NL:RBROT:2022:2637

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2022
Publicatiedatum
8 april 2022
Zaaknummer
FT EA 22/66 en FT EA 22/67
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 287a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing dwangakkoord tegen weigering ING Bank in schuldregeling

Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, waarbij ING Bank als enige schuldeiser weigert in te stemmen. De regeling is gebaseerd op een Participatiewet-uitkering en voorziet in een prognosepercentage van aflossing. Verzoeker is ontheven van sollicitatieplicht vanwege medische redenen en wordt begeleid bij het vinden van werk.

ING Bank stelt dat de regeling onvoldoende is omdat verzoeker mogelijk zijn inkomenspositie kan verbeteren en dat het dwangakkoord niet bedoeld is voor situaties waarin de grootste schuldeiser weigert. De rechtbank beoordeelt dat het voorstel door een onafhankelijke partij is getoetst, goed gedocumenteerd is en het uiterste is wat verzoeker kan bieden.

De rechtbank weegt het belang van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers, die akkoord zijn, zwaarder dan het belang van ING. De rechtbank beveelt ING om in te stemmen met de regeling, wijst het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord wordt toegewezen en ING Bank wordt bevolen in te stemmen met de schuldregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraakdatum: 4 maart 2022
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1..De procedure

Verzoeker heeft op 20 januari 2022, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet (hierna: Fw) ingediend om ING Bank N.V., in behandeling bij Vesting Finance (hierna: ING), die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Vesting Finance heeft namens ING voorafgaand aan de zitting, op 7 februari 2022, een verweerschrift toegezonden. Zij heeft in haar verweerschrift kenbaar gemaakt niet ter zitting te zullen verschijnen.
Ter zitting van 24 februari 2022 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer C.J.A. van Dam, werkzaam bij Van den Bosse Bewindvoeringen B.V. (hierna: beschermingsbewindvoerder);
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij het Leger des Heils (hierna: ambulant begeleider).
Ter zitting van 24 februari 2022 is telefonisch gehoord conform TARIC (de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbank vanwege de bijzondere omstandigheden door de coronacrisis):
- mevrouw [persoon B] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift acht schuldeisers, waarvan één preferente en zeven concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 73.294,60 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 20 september 2021 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,04 % aan de preferente schuldeisers en 1,52 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. In de verklaring conform art. 285 Fw Pro (hierna: 285-verklaring) is vermeld dat aan preferente crediteuren een aanbod is gedaan van 1,687 % en aan de concurrente schuldeisers een aanbod van 0,843 % tegen finale kwijting. De 285-verklaring is gedateerd 13 december 2021. Het aanbod, zoals genoemd in de
285-verklaring is dus lager dan het aanbod in de brief van 20 september 2021.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.
De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn Participatiewet-uitkering. Verzoeker is door de uitkeringsinstantie vrijgesteld van zijn sollicitatieverplichting tot en met
1 april 2022. De reden hiervan is dat er medische belemmeringen zijn. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.
ING stemt als enige niet met de aangeboden schuldregeling in. Zij heeft een vordering van
€ 27.994,21 op verzoeker, welke 38,2 % van de totale schuldenlast beloopt.

3..Het verweer

In haar verweerschrift heeft ING zich op het standpunt gesteld dat het verzoek afgewezen dient te worden. De wettelijke regeling van het dwangakkoord is niet bedoeld voor een situatie waarin de weigerende schuldeisers het grootste deel van de schuldenlast vertegenwoordigen. In de visie van ING heeft verzoeker niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op een Participatiewet-uitkering, terwijl de inkomenspositie van verzoeker de komende tijd nog zou kunnen verbeteren. Verzoeker is nog jong en niet is gebleken dat hij niet fulltime zou kunnen werken. ING wijst er daarbij op dat in de schuldsaneringsregeling wettelijke waarborgen bestaan om te verzekeren dat verzoeker voldoet aan zijn verplichting zich in te spannen een fulltime dienstverband te vinden. ING is nog steeds bereid – mede gelet op de Covid situatie – een betalingsregeling te treffen op basis van de geldende afloscapaciteit.
ING heeft in haar verweerschrift aangegeven dat zij om proceseconomische redenen enkel schriftelijk verweer zal voeren en niet ter zitting zal verschijnen.

4..De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100 % van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van ING bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of ING in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van ING een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 38,2 %.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zeven van de acht schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Verzoeker is door de uitkerende instantie ontheven van zijn sollicitatieverplichting tot 1 april 2022 in verband met medische belemmeringen. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven gemotiveerd te zijn om te gaan werken. Verzoeker ontvangt thans ambulante begeleiding van het Leger des Heils in verband met het vinden van huisvesting en werk. Daarnaast wordt verzoeker gemonitord door een werkconsulent van de gemeente Rotterdam. Gelet op de huidige begeleiding, is voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker zich maximaal inspant ten behoeve van de schuldeisers. Mocht verzoeker een baan vinden, dan zal de afloscapaciteit toenemen, waardoor hij meer kan aflossen aan de schuldeisers.
Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoeker heeft sinds 30 maart 2020 een beschermingsbewindvoerder. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van ING, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om ING te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
ING zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- beveelt ING om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt ING in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2022. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.