Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:2638

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 maart 2022
Publicatiedatum
8 april 2022
Zaaknummer
FT EA 22/112 en FT EA 22/113
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing dwangakkoord tegen weigering schuldeiser Nationale Nederlanden

Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar negen concurrente schuldeisers, waarbij zij 7,48% van de totale schuld van €116.088,35 in één keer wil voldoen met behulp van een saneringskrediet en een reservering van €7.000. Nationale Nederlanden, met een vordering van €72.967,91 (62,9% van de schuld), weigert in te stemmen omdat zij meent dat verzoekster niet het maximaal haalbare aanbiedt en onvoldoende inspanningen heeft verricht.

De rechtbank stelt vast dat acht van de negen schuldeisers het akkoord accepteren en dat het voorstel is getoetst door een onafhankelijke partij, de Kredietbank Rotterdam. Verzoekster ontvangt een Participatiewet-uitkering en is ontheven van sollicitatieplicht tot maart 2024 vanwege psychische klachten, waardoor zij geen hoger inkomen kan genereren.

De rechtbank oordeelt dat het voorstel het uiterste is wat van verzoekster kan worden verlangd en dat het dwangakkoord een gunstiger resultaat oplevert dan een wettelijke schuldsaneringsregeling. De belangen van verzoekster en de overige schuldeisers wegen zwaarder dan die van Nationale Nederlanden. Het verzoek wordt toegewezen, Nationale Nederlanden wordt veroordeeld in de proceskosten en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot dwangakkoord wordt toegewezen en Nationale Nederlanden wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraakdatum: 16 maart 2022
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1..De procedure

Verzoekster heeft op 1 februari 2022, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet (hierna: Fw) ingediend om Nationale Nederlanden Hypotheekbedrijf N.V., in behandeling bij Vesting Finance (hierna: Nationale Nederlanden), die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Vesting Finance heeft namens Nationale Nederlanden voorafgaand aan de zitting, op
2 maart 2022, een verweerschrift toegezonden. Zij heeft in haar verweerschrift kenbaar gemaakt niet ter zitting te zullen verschijnen.
Ter zitting van 9 maart 2022 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
  • de heer M. El Joghrafi, werkzaam bij JM Bewind & Mediation ( hierna: beschermingsbewindvoerder).
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift negen concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 116.088,35 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 26 oktober 2021 een schuldregeling aangeboden aan haar concurrente schuldeisers, inhoudende een betaling van 7,48 % tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.
De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar Participatiewet-uitkering. Verzoekster heeft psychische klachten en dient eerst aan zichzelf te werken alvorens zij de arbeidsmarkt kan betreden. Zij is daarom thans door de uitkeringsinstantie ontheven van haar sollicitatieverplichting en deze ontheffing loopt tot en met 7 maart 2024.
Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet vermeerderd met een extra bedrag van € 7.000,-- dat de beschermingsbewindvoerder heeft kunnen reserveren vanaf het moment dat verzoekster onder beschermingsbewind is komen te staan. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting aangegeven dat een groot gedeelte van deze reservering ziet op een ontslagvergoeding die verzoekster in het verleden heeft ontvangen na het einde van haar (slapende) dienstverband.
Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan.
Nationale Nederlanden stemt als enige niet met de aangeboden schuldregeling in. Zij heeft een vordering van € 72.967,91 op verzoekster, welke 62,9 % van de totale schuldenlast beloopt.

3..Het verweer

In haar verweerschrift heeft Nationale Nederlanden zich op het standpunt gesteld dat het verzoek afgewezen dient te worden. De wettelijke regeling van het dwangakkoord is niet bedoeld voor een situatie waarin de weigerende schuldeisers het grootste deel van de schuldenlast vertegenwoordigen. In de visie van Nationale Nederlanden heeft verzoekster niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op een Participatiewet-uitkering. Verzoekster is niet afgekeurd. Verzoekster en overige betrokkenen dienen er alles aan te doen om er voor te zorgen dat aan de maximale inspanning wordt voldaan. Voorts heeft verzoekster daarnaast in alle jaren dat het dossier bij Vesting Finance in behandeling is, geen enkele poging gedaan om de schuld zelfstandig met Nationale Nederlanden dan wel Vesting Finance op te lossen. Nationale Nederlanden wijst erop dat in de schuldsaneringsregeling wettelijke waarborgen bestaan om te verzekeren dat verzoekster zich inspant om zoveel mogelijk inkomsten te genereren ter aflossing van de schuldeisers. Nationale Nederlanden is nog steeds bereid, mede gelet op de Covid situatie, een betalingsregeling te treffen op basis van de geldende afloscapaciteit.

4..De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100 % van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Nationale Nederlanden bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Nationale Nederlanden in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Nationale Nederlanden een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 62,9 %.
Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk acht van de negen schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Verzoekster is vanwege psychische belemmeringen niet in staat betaalde arbeid te verrichten. Verzoekster is dan ook door de uitkeringsinstantie ontheven van de sollicitatieverplichting tot en met 7 maart 2024. Voldoende aannemelijk is geworden dat zij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan haar huidige inkomen.
Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Nationale Nederlanden, die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om Nationale Nederlanden te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
Nationale Nederlanden zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoekster niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- beveelt Nationale Nederlanden om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt Nationale Nederlanden in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2022. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.