Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Proces-verbaal van mondeling vonnis van 8 april 2022
[persoon C] ,
- de heer [persoon A] , (indirect) bestuurder van [bedrijf A] c.s.;
- mr. E. van Lent, voormalig advocaat van [bedrijf A] c.s.;
- mr. Smith, voornoemd;
- [persoon C] ;
- mr. Van Oosten, voornoemd.
“Artikel 2. Aanbiedingsverplichting
Artikel 2 sub j geldt Pro voor beëindigingen van overeenkomsten na 31 december 2018. Dit staat zo in de overeenkomst. Er zijn geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die maken dat aan de beperking die in deze datum schuilt, voorbijgegaan kan worden. [persoon A] heeft gesteld dat de gedachte voor het opnemen van de datum 31 december 2018 is geweest dat [bedrijf A] als tegenprestatie voor het leveren van de certificaten een commitment van [persoon C] verwachtte tot in ieder geval 31 december 2018. Dat kan zo zijn, maar dat laat onverlet dat de overeenkomst nu eenmaal bepaalt dat de good leaver bepaling sub j pas geldt vanaf 31 december 2018 (terwijl andere bepalingen deels wel voor die datum kunnen gelden). Dat is wat [persoon C] op dit punt mocht verwachten.