De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen de verdachte die werd verdacht van mensensmokkel van twee Albanese vreemdelingen naar Groot-Brittannië. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 90 voorwaardelijk, omdat de verdachte als vrachtwagenchauffeur de smokkel zou hebben gefaciliteerd.
De twee vreemdelingen werden in de vrachtwagen aangetroffen op de ferry naar Groot-Brittannië en verklaarden dat de chauffeur op de hoogte was van hun aanwezigheid. Ook chatberichten op een telefoon van een van de vreemdelingen verwezen naar een chauffeur en instructies over het verblijf in de cabine. Tachograafgegevens toonden een stilstand van twaalf minuten op een bedrijventerrein, wat volgens de officier van justitie niet strookte met de verklaring van de verdachte.
De verdachte ontkende elke betrokkenheid en verklaarde dat hij de vrachtwagen had afgesloten en geen zicht had op de cabine na het instappen op de ferry. De verklaringen van de vreemdelingen werden deels betwijfeld vanwege twijfels over betrouwbaarheid en het ontbreken van het ondervragingsrecht van de verdediging bij een van de getuigen.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om met voldoende mate van zekerheid te concluderen dat de verdachte betrokken was bij de smokkel. De verdachte werd daarom vrijgesproken. Tevens werd de teruggave van inbeslaggenomen goederen bevolen en het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.