ECLI:NL:RBROT:2022:278
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Sluiting horecagelegenheid wegens vermeende overtreding COVID-19 noodverordening niet gerechtvaardigd
Eiser, exploitant van een horecagelegenheid in Rotterdam, werd geconfronteerd met een sluitingsbevel van twee weken vanwege overtredingen van de Noodverordening COVID-19, vastgesteld door toezichthouders op 5 en 11 september 2020. De toezichthouders rapporteerden dat bezoekers geen 1,5 meter afstand hielden, stonden te dansen en niet werden geplaceerd.
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit en stelde dat de rapporten van de toezichthouder onzorgvuldig en tegenstrijdig waren, onder meer vanwege het ontbreken van ambtseed, onduidelijkheden in de rapporten, en getuigenverklaringen die het tegendeel beweerden. De Algemene Bezwaarschriftencommissie adviseerde het bezwaar gegrond te verklaren, maar verweerder handhaafde het besluit.
De rechtbank oordeelde dat er voldoende twijfel bestond over de betrouwbaarheid en eenduidigheid van de rapporten, mede door tegenstrijdigheden en onvoldoende bewijs voor de overtredingen. Ook was het anonimiseren van de toezichthouder niet duidelijk gemotiveerd. Gezien deze onzekerheden mocht verweerder het besluit niet baseren op de rapporten en was het besluit tot sluiting niet gerechtvaardigd.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit, waarbij verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en deugdelijke grondslag voor ingrijpende bestuursmaatregelen.
Uitkomst: Het besluit tot sluiting van de horecagelegenheid wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen wegens onvoldoende bewijs voor overtreding.