Verzoeker diende een verzoek in tot toepassing van artikel 287a Faillissementswet voor een gedwongen schuldregeling waarbij vijf schuldeisers niet instemden met het aangeboden akkoord. De regeling voorzag in een uitkering van circa 6,8% aan preferente en 3,4% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op een prognose van afloscapaciteit.
De weigerende schuldeisers, waaronder Zilveren Kruis en Stichting WonenBreburg, stelden dat het voorstel niet betrouwbaar was gedocumenteerd en dat verzoeker niet het maximaal haalbare bood. De VTLB-berekening bleek onjuist, toeslagen waren niet meegenomen en de huurkosten leken te hoog. Tevens was er onvoldoende toezicht op sollicitatieplicht en het voorkomen van nieuwe schulden.
De rechtbank oordeelde dat het voorstel niet voldeed aan de eisen van volledigheid en betrouwbaarheid en dat de belangen van de weigerende schuldeisers zwaarder wogen dan die van verzoeker en overige schuldeisers. Daarom werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen.
De rechtbank wees erop dat een wettelijke schuldsaneringsregeling betere waarborgen biedt voor controle en nakoming van verplichtingen. De beslissing werd genomen door rechter B.J. Tideman op 18 maart 2022.