De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie gericht op witwassen en Opiumwetdelicten, met name invoer van cocaïne. De officier van justitie eiste 18 maanden gevangenisstraf. De verdediging voerde onder meer aan dat de vervolging in strijd was met het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie ontvankelijk was in de vervolging, omdat het opportuniteitsbeginsel met terughoudendheid wordt getoetst en er onvoldoende bewijs was dat sprake was van gelijke gevallen die anders werden behandeld. Vervolgens beoordeelde de rechtbank of de verdachte daadwerkelijk deelnam aan de criminele organisatie.
Hoewel verdachte meerdere malen als chauffeur optrad voor een leidinggevende van de organisatie en met hem reisde, kon niet worden vastgesteld dat hij wist van de criminele activiteiten of dat hij bewust het oogmerk van de organisatie diende. Ook waren er geen concrete aanwijzingen van betalingen of tegenprestaties die deelname bewezen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van deelname aan de criminele organisatie.
De uitspraak benadrukt het belang van wettig en overtuigend bewijs voor deelname aan een criminele organisatie en dat louter sociale banden en incidentele ritten onvoldoende zijn om schuld te bewijzen.