De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak over de omgangsregeling tussen twee minderjarige kinderen en hun vader, waarbij de gecertificeerde instelling (GI) een schriftelijke aanwijzing aan de moeder had gegeven om mee te werken aan begeleide omgang en bellen met de vader. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit en de kinderen waren onder toezicht gesteld tot augustus 2022.
De GI verzocht de bekrachtiging van deze aanwijzing en het opleggen van een dwangsom aan de moeder bij niet-naleving, terwijl de moeder verzocht de aanwijzing geheel of gedeeltelijk te laten vervallen. Tijdens de zitting bleek dat alle partijen het belang van omgang erkennen, maar de moeder behoefte had aan duidelijkere afspraken, welke uiteindelijk in onderling overleg werden vastgesteld.
De kinderrechter achtte de schriftelijke aanwijzing noodzakelijk vanwege eerdere onvoldoende medewerking van de moeder en bekrachtigde deze. Het verzoek tot het opleggen van een dwangsom werd afgewezen omdat partijen nu duidelijke afspraken hadden gemaakt en de moeder zich bereid had verklaard deze na te komen. Het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring werd afgewezen omdat dit verzoek was ingetrokken.
De beschikking werd mondeling gegeven op 29 maart 2022 en schriftelijk vastgesteld op 14 april 2022.