Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2022 in de zaak tussen
[naam eiser], eiser,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
.
Rechtbank Rotterdam
Eiser, met de Surinaamse nationaliteit, verzocht om naturalisatie op grond van drie jaar ongehuwd samenwonen met een Nederlander. Verweerder wees dit verzoek af omdat niet was aangetoond dat de samenwoning voortduurde na indiening van het verzoek, waardoor eiser niet voldeed aan de wettelijke termijnvereisten van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
Eiser stelde dat hij slachtoffer was van huiselijk geweld en dat zijn voormalige partner hem bewust had laten uitschrijven uit de Basisregistratie Personen om naturalisatie te frustreren. Hij deed een beroep op artikel 10 RWN Pro wegens humanitaire redenen en verzocht om aanhouding van de zaak in afwachting van een procedure over zijn verblijfsvergunning.
De rechtbank zag geen aanleiding tot aanhouding omdat de verblijfsprocedure geen directe invloed heeft op de naturalisatiezaak. Verder oordeelde de rechtbank dat huiselijk geweld geen bijzondere omstandigheid is die toepassing van artikel 10 RWN Pro rechtvaardigt. De beoordelingsvrijheid van verweerder om terughoudend te zijn bij toepassing van artikel 10 werd Pro bevestigd.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E. Lunenberg op 15 april 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt ongegrond verklaard omdat geen bijzondere omstandigheden zijn vastgesteld.