ECLI:NL:RBROT:2022:3008

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 april 2022
Publicatiedatum
21 april 2022
Zaaknummer
9467446 CV EXPL 21-32077
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering wegens niet-betaalde facturen na onvoldoende onderbouwde tekortkoming aanneming van werk

Eiseres verrichtte in 2019 werkzaamheden voor gedaagde aan een procesinstallatie van Shell en factureerde hiervoor een totaalbedrag van €6.180,-. Gedaagde betaalde deze facturen niet en stelde een tekortkoming aan de zijde van eiseres te hebben geconstateerd, namelijk schade aan een kolom.

Gedaagde beriep zich op ontbinding van de overeenkomst en opschorting van betaling wegens deze tekortkoming, maar heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. De rechtbank oordeelde dat het enkele overleggen van foto's en het ontbreken van een tijdige klacht onvoldoende is om de tekortkoming aannemelijk te maken. Hierdoor is het opschortingsrecht niet van toepassing.

De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van het volledige factuurbedrag, de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum, en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €7.647,70 inclusief wettelijke rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9467446 CV EXPL 21-32077
uitspraak: 1 april 2022
vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[eiseres]
,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: LAVG B.V. te Groningen,
tegen
[gedaagde]
,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigden: mr A.F. Ammerlaan.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ respectievelijk ‘ [gedaagde] ’.

1..Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
  • de dagvaarding van 20 september 2021, met producties;
  • de conclusie van antwoord, met producties;
  • het vonnis van 27 december 2021, waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 17 maart 2022. Namens [eiseres] is verschenen de heer [persoon A] (vennoot), bijgestaan door de gemachtigde van [eiseres] . De heer [persoon B] (bedrijfsleider) is verschenen namens [gedaagde] , bijgestaan door gemachtigde mr. L.F. Buis. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun stellingen nader toe te lichten. Van wat ter zitting is besproken, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op vandaag.

2..De vaststaande feiten

De feiten die vast staan in deze procedure zijn, voor zover relevant, de volgende.
2.1.
[eiseres] heeft in opdracht van [gedaagde] in de weken 29, 30, 35, 36, 37 en 38 van 2019 werkzaamheden verricht ten behoeve van een procesinstallatie van Shell.
2.2.
[eiseres] heeft voor de verrichte werkzaamheden de volgende facturen aan [gedaagde] gestuurd:
Factuurdatum
Factuurnummer
Factuurbedrag
1-8-2019
30-2019
€ 1.237,50
1-8-2019
31-2019
€ 1.230,00
3-9-2019
32-2019
€ 990,00
10-9-2019
33-2019
€ 1.237,50
18-9-2019
34-2019
€ 1.237,50
23-9-2019
35-2019
€ 247,00
In totaal heeft [eiseres] € 6.180,00 aan [gedaagde] gefactureerd.
2.3.
Op de door [eiseres] aan [gedaagde] gestuurde facturen staat:
“het te betalen bedrag verwachten wij binnen 7 dagen na datum factuur”.
2.4.
[gedaagde] heeft de facturen van [eiseres] onbetaald gelaten. Op 8 november 2019, 24 januari 2020, 19 februari 2020, 23 maart 2020 en 17 juni 2020 heeft [eiseres] [gedaagde] aangemaand om tot betaling over te gaan.
2.5.
[gedaagde] heeft op 10 januari 2020 aan de gemachtigde van [eiseres] bericht – voor zover hier van belang –:
“De heer van [eiseres] heeft op een werk schade veroorzaakt aan een door hem gestorte kolom.”

3..De vordering

3.1.
[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 7.647,70, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 6 september 2021 over een bedrag van € 6.180,-, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Aan haar vordering heeft [eiseres] , naast de onder 2 genoemde feiten – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat [gedaagde] ten onrechte
weigert over te gaan tot betaling van de facturen van [eiseres] . [gedaagde] is in verzuim en moet daarom ook de wettelijke handelsrente betalen. De wettelijke handelsrente tot 6 september 2021 bedraagt € 783,70. [eiseres] maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 684,-. [gedaagde] beroept zich op een tekortkoming van [eiseres] , maar heeft hierover niet binnen bekwame tijd bij [eiseres] geklaagd. Daarnaast is geen sprake van enige tekortkoming; [gedaagde] onderbouwt die stelling op geen enkele manier, aldus [eiseres] .

4..Het verweer

4.1.
[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe – ook zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd.
4.2.
[eiseres] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst met [gedaagde] . Shell heeft eind 2019/begin 2020 ernstige scheurvorming geconstateerd in het beton van de op de stalen kolom aangebrachte fireproofing. Nadat [gedaagde] hiervan door Shell op de hoogte is gesteld, heeft zij geklaagd bij [eiseres] en betaling van de facturen opgeschort. De klachtplicht is niet geschonden. De scheurvorming kan niet op korte termijn worden hersteld omdat Shell daarvoor de kolom moet vrij maken en dat kan alleen als bepaalde delen van de procesinstallatie uit productie gaan. Herstel is niet eerder dan in de loop van 2022 of in 2023 mogelijk. Van [gedaagde] kan daarom niet worden gevergd dat zij [eiseres] de mogelijkheid geeft om tot herstel over te gaan; de overeenkomst wordt daarom ontbonden. Voor zover [eiseres] wel de mogelijkheid tot herstel moet krijgen, komt [gedaagde] een opschortingsrecht toe voor alle door [eiseres] gevorderde bedragen.

5..De beoordeling

5.1.
Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of [eiseres] jegens [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst tussen partijen. Het is [gedaagde] die zich beroept op (de gevolgen van) deze tekortkoming. [eiseres] heeft reeds in de dagvaarding betwist dat sprake is van een tekortkoming en aangevoerd dat [gedaagde] deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd.
5.2.
Gelet op het standpunt van [eiseres] in de dagvaarding rustte op [gedaagde] de plicht om in haar conclusie van antwoord feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is van de tekortkoming waarop zij zich beroept. [gedaagde] heeft dat niet gedaan. Het overleggen van een tweetal foto’s is daartoe onvoldoende. Dit klemt te meer nu [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat de foto’s ook niet eerder aan [eiseres] zijn toegestuurd en dat onbekend is waarom [eiseres] zelf niet in de gelegenheid is gesteld om de gestelde schade te bekijken. Dat thans niet kan worden vastgesteld of het hier überhaupt schade betreft aan een kolom waaraan [eiseres] heeft gewerkt, moet tegen deze achtergrond voor rekening en risico van [gedaagde] blijven. Nu [gedaagde] niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht wordt haar stelling dat sprake is van een (toerekenbare) tekortkoming van [eiseres] als onvoldoende onderbouwd verworpen. Het op die stelling gebaseerde beroep van [gedaagde] op ontbinding van de overeenkomst en/of opschorting van haar betalingsverplichting gaat daarom niet op.
5.3.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] ten onrechte de facturen van [eiseres] onbetaald heeft gelaten. De door [eiseres] gevorderde hoofdsom van € 6.180,- zal dan ook reeds daarom worden toegewezen.
5.4.
[eiseres] maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente over de hoofdsom met ingang van de vervaldata van de facturen. [gedaagde] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij een betalingstermijn van 60 dagen hanteert, welke termijn zij overigens ook ruimschoots heeft overschreden voordat zij – ten onrechte – een beroep deed op opschorting. [eiseres] heeft betwist dat zij met [gedaagde] een langere betalingstermijn is overeengekomen dan de zeven dagen die op de facturen staat vermeld (zie 2.3). Nu [gedaagde] haar stelling dat een betalingstermijn van 60 dagen zou zijn overeengekomen niet nader heeft onderbouwd – hetgeen wel op haar weg had gelegen – gaat de kantonrechter uit van een betalingstermijn van zeven dagen conform de facturen van [gedaagde] . De kantonrechter zal de wettelijke handelsrente zoals die is gevorderd toewijzen, nu de vordering van [eiseres] zijn grondslag vindt in een handelsovereenkomst tussen partijen en aldus aan de voorwaarden van artikel 6:119a lid 1 BW is voldaan.
5.5.
Uit de door [eiseres] overgelegde stukken en haar in zoverre niet betwiste toelichting daarop blijkt dat zij daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. Het gevorderde bedrag stemt overeen met het bedrag dat ingevolge het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zou zijn en wordt als zodanig als redelijk aangemerkt. Ook dit onderdeel van de vordering is daarom toewijsbaar.
5.6.
[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

6..De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 7.647,70, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 6.180,- vanaf 6 september 2021 tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 610,33 aan verschotten en € 622,- aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
51909