Op 11 september 2021 heeft de verdachte geprobeerd zijn collega en huisgenoot zwaar te mishandelen door met een uitbeenmes richting diens borstkas te steken. Het slachtoffer kon zich verdedigen en werd in zijn hand geraakt. De rechtbank oordeelde dat het bewijs, waaronder verklaringen van het slachtoffer, DNA-onderzoek en aangetroffen bloedspetters, wettig en overtuigend was.
De verdediging voerde onder meer aan dat er sprake was van een onherstelbaar vormverzuim bij het afnemen van DNA en dat de verklaringen van het slachtoffer onbetrouwbaar waren, maar deze verweren werden verworpen. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen en van de strafverzwarende omstandigheid "levensgezel".
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 110 dagen op, gelijk aan de duur van het voorarrest, rekening houdend met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De opgelegde straf werd verminderd met de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis had doorgebracht.