De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het invoeren en voorbereiden van de invoer van circa 29,95 kilogram cocaïne in Rotterdam.
De officieren van justitie eisten vrijspraak voor het primaire feit van invoer, maar bewezenverklaring en straf voor de voorbereiding daarvan. De rechtbank oordeelde echter dat het bewijs onvoldoende was om ook de voorbereidingshandelingen wettig en overtuigend vast te stellen.
De observaties toonden ontmoetingen en verplaatsingen van verdachte met medeverdachten, waaronder ritten naar de Maasvlakte waar drugs uit een container werden gehaald. Verdachte verklaarde dat hij niet wist van de drugshandel en slechts meereed om onbekende mannen naar huis te brengen.
De rechtbank vond dat de enkele aanwezigheid van verdachte en zijn handelingen onvoldoende waren om opzet of een wezenlijke bijdrage aan de voorbereidingshandelingen aan te tonen. Daarom sprak zij verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd eerder opgeheven en verdachte werd definitief vrijgesproken.