In deze zaak stond centraal of tussen Staffhousing B.V. en de huurder een huurovereenkomst onder opschortende voorwaarde tot stand was gekomen, dan wel of de overeenkomst was ontbonden of met wederzijds goedvinden beëindigd. De huurder stelde dat de overeenkomst afhankelijk was van het verhelpen van gebreken in de woning, terwijl Staffhousing dit betwistte.
Getuigenverklaringen waren tegenstrijdig: de directeur van de huurder stelde dat de woning eerst schoongemaakt moest worden, maar tekende zonder opschortende voorwaarde. De vertegenwoordiger van Staffhousing ontkende dat hierover afspraken waren gemaakt. De huurder gebruikte de woning vanaf september 2019 feitelijk, wat het bestaan van een opschortende voorwaarde betwistte.
Ook de stelling dat de huurder de overeenkomst telefonisch op 20 september 2019 had ontbonden of dat partijen op 26 september 2019 de overeenkomst met wederzijds goedvinden hadden beëindigd, werd door Staffhousing betwist. De rechtbank vond dat de huurder onvoldoende bewijs had geleverd voor deze beëindiging. De huurovereenkomst bleef daarom bestaan en de vordering van Staffhousing tot betaling van huurachterstand tot en met januari 2020 werd toegewezen.
Daarnaast wees de rechtbank de vordering tot vergoeding van advocaatkosten af, kende wel contractuele rente toe en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vraag of de huurovereenkomst na 1 februari 2020 voortduurde, werd aangehouden en partijen kregen gelegenheid zich daarover uit te laten.