Eiser vroeg op 20 juni 2019 een omgevingsvergunning aan voor het verbouwen van een kantoorpand en garage tot woning op een perceel met de bestemming 'Verkeer - Erf' volgens het bestemmingsplan Overschie. Verweerder weigerde de vergunning omdat het beoogde gebruik strijdig is met het bestemmingsplan en stedenbouwkundig ongewenst is vanwege het risico op verdere dichtbouw van het achtererfgebied.
Eiser stelde dat de weigering onredelijk was, omdat het pand nu niet gebruikt kan worden en het bouwplan geen verdere dichtbouw veroorzaakt. Ook voerde eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan, verwijzend naar vergelijkbare situaties in de buurt waar tweede-lint-bebouwing of woonbestemming aanwezig is.
De rechtbank oordeelde dat verweerder beleidsruimte heeft bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan en dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat stedenbouwkundige bezwaren bestaan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn door verschillende bestemmingen en omstandigheden.
Wel stelde de rechtbank vast dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat het advies van de bezwaarschriftencommissie de stedenbouwkundige bezwaren niet noemt en verweerder deze pas in de beroepsfase heeft aangevoerd. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.