Eiseres trad in oktober 2019 in dienst bij VCC en verhuisde in juni 2020 naar België. VCC beëindigde de arbeidsovereenkomst per brief van 7 april 2021 met inachtneming van de Belgische wetgeving en een opzegtermijn van tien weken. Eiseres betwistte de geldigheid van het ontslag en stelde dat Nederlands recht van toepassing is, waardoor de arbeidsovereenkomst voortduurt en zij aanspraak maakt op loon.
De kantonrechter oordeelde dat de procedure correct via dagvaarding was ingeleid omdat de grondslag van de vorderingen in Boek 3 BW ligt en niet onder de bijzondere regels van Boek 7 BW valt. VCC erkende dat Nederlands recht van toepassing is, waardoor de vordering tot verklaring van toepasselijk recht kwam te vervallen.
De kantonrechter stelde vast dat tussen partijen een beëindigingsovereenkomst is gesloten, waarbij eiseres instemde met het ontslag en de verbrekersvergoeding. Hierdoor is de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd per 12 april 2021. De loonvorderingen van eiseres vanaf die datum zijn daarom afgewezen.
De vorderingen van VCC tot terugbetaling van de verbrekersvergoeding en buitengerechtelijke kosten zijn eveneens afgewezen omdat geen sprake is van onverschuldigde betaling. Beide partijen zijn in de proceskosten veroordeeld, waarbij de wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.