In deze zaak vordert eiseres betaling van een bedrag van €21.824,01 van gedaagde als borg voor een krediet dat aan een bedrijf is verstrekt. Eiseres baseert haar vordering op een borgtochtsovereenkomst die digitaal is ondertekend door gedaagde. Gedaagde betwist de geldigheid van de handtekening en stelt dat hij de overeenkomst niet heeft ondertekend.
De rechtbank onderzoekt de rechtsgeldigheid van de elektronische handtekening aan de hand van de eidas-verordening en artikel 3:15a BW. Het blijkt dat de gebruikte handtekening geen gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening is, maar slechts een gewone elektronische handtekening. De methode van ondertekening, waaronder een SMS-code, is onvoldoende betrouwbaar om de identiteit van de ondertekenaar met een hoog vertrouwensniveau vast te stellen.
Gezien het doel van de overeenkomst, waarbij gedaagde zich borg stelt voor een aanzienlijk bedrag, acht de rechtbank de gebruikte digitale handtekening onvoldoende betrouwbaar. Hierdoor is de borgtochtsovereenkomst niet rechtsgeldig tot stand gekomen. Eiseres heeft geen aanvullend bewijs geleverd dat aantoont dat gedaagde de overeenkomst is aangegaan.
De vordering wordt daarom afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.