ECLI:NL:RBROT:2022:3434
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde vaststelling van portiekwoning in Rotterdam
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn portiekwoning in Rotterdam voor het belastingjaar 2020, stellende dat de waarde te hoog is vastgesteld op €100.000. Verweerder handhaafde deze waarde na bezwaar. De rechtbank stelde vast dat verweerder geen onderbouwing gaf van de gehanteerde indexcijfers, wat formeel onjuist is en het beroep gegrond maakt.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Dit op basis van een taxatierapport en vergelijkingsobjecten die qua ligging, bouwjaar, type en oppervlakte goed vergelijkbaar zijn. De verkoopprijzen van deze objecten lagen allen boven de vastgestelde WOZ-waarde, ook na correctie voor staat van onderhoud en voorzieningen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder niet verplicht was om uit te gaan van de verkoopprijs van de onroerende zaak zelf, die 19 maanden voor de waardepeildatum was verkocht. Ook mocht verweerder vergelijkingsobjecten selecteren die hogere verkoopprijzen hadden, waaronder transacties door beleggers. Omdat de waarde niet te hoog is vastgesteld, blijven de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser, waarbij de proceskostenvergoeding werd gematigd vanwege het deels gegrond verklaren van het beroep. Het beroep slaagt op formele gronden, maar niet op de kern van de WOZ-waarde.
Uitkomst: Het beroep is gegrond op formele gronden maar de WOZ-waarde wordt niet verlaagd; rechtsgevolgen blijven in stand.