ECLI:NL:RBROT:2022:3435
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde vastgesteld op €360.000 wordt gegrond verklaard maar WOZ-waarde blijft gehandhaafd
Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn tussenwoning, vastgesteld op €360.000 voor het belastingjaar 2020. Verweerder had het bezwaar ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank Rotterdam. De rechtbank behandelde het beroep op 23 maart 2022.
Eiser stelde dat het gehanteerde indexeringspercentage niet inzichtelijk was gemaakt. Verweerder overhandigde ter zitting een nadere toelichting en onderbouwing met verkoopcijfers van vergelijkbare woningen, waarop de rechtbank oordeelde dat eiser in beroep moest komen om deze informatie te verkrijgen. Hierdoor werd het beroep gegrond verklaard op formele gronden.
De rechtbank onderzocht vervolgens of de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. Uit de taxatiematrix en vergelijkingsobjecten bleek dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog was vastgesteld. Ook het waardedrukkende effect van overlast werd voldoende verdisconteerd. De rechtbank oordeelde dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand konden blijven en veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens onvoldoende inzicht in het indexeringspercentage, maar de WOZ-waarde van €360.000 blijft gehandhaafd.