ECLI:NL:RBROT:2022:35
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsvermogen
Eiser was werkzaam als medewerker logistiek en viel uit sinds januari 2016. Na een WIA-beoordeling in 2019 werd vastgesteld dat eiser zijn eigen arbeid niet meer kon verrichten, waarna functies werden geduid die hij wel kon verrichten. De arbeidsdeskundige concludeerde dat eiser 0% arbeidsongeschikt was en geen WIA-uitkering kreeg.
Eiser meldde zich in januari 2020 opnieuw ziek en de verzekeringsarts concludeerde in juli 2020 dat eiser zijn eigen arbeid kan verrichten, gebaseerd op de eerder geduide functies. Verweerder nam daarop een besluit de Ziektewetuitkering te beëindigen. Na bezwaar en aanvullend onderzoek bleef dit besluit gehandhaafd.
Eiser voerde aan dat zijn medische situatie was veranderd en dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom hij geschikt zou zijn voor de functies. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsarts de beperkingen en belastbaarheid van eiser goed had meegenomen. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde wegens gebrek aan onderbouwing en omdat artikel 19 ZW Pro geen ruimte biedt voor belangenafweging.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskosten toe. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering is ongegrond verklaard.