De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en werkgever over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet. De werknemer was op staande voet ontslagen wegens vermeend grensoverschrijdend seksueel gedrag, wat hij betwist. Na het ontslag voerden partijen via hun gemachtigden e-mailcorrespondentie over een mogelijke regeling.
In een e-mail van 17 december 2021 bevestigde de gemachtigde van de werkgever akkoord te gaan met het voorstel van de werknemer over beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 april 2022, inclusief vrijstelling van werk, loondoorbetaling, transitievergoeding, vergoeding juridische kosten, een positief getuigschrift en intrekking van het ontslag op staande voet onder de opschortende voorwaarde dat de werknemer geen gebruik maakt van de bedenktermijn. De werkgever trok later dit akkoord terug, stellende dat de gemachtigde niet bevoegd was.
De kantonrechter oordeelt dat partijen wel degelijk overeenstemming hebben bereikt over de essentialia van de beëindigingsovereenkomst, ondanks het ontbreken van een ondertekende vaststellingsovereenkomst. De werkgever kan zich niet beroepen op het schriftelijkheidsvereiste of de vermeende onbevoegdheid van haar gemachtigde. Het primaire verzoek van de werknemer tot nakoming van de beëindigingsovereenkomst wordt toegewezen. De overige subsidiaire verzoeken en het tegenverzoek van de werkgever worden afgewezen.