Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:3827

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 april 2022
Publicatiedatum
17 mei 2022
Zaaknummer
FT EA 22/318
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 FaillissementswetArt. 284 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ontruiming wegens huurachterstand

Verzoeker heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening ex artikel 287, vierde lid, Faillissementswet, waarmee hij verweerster wilde verbieden het vonnis tot ontruiming van zijn woonruimte uit te voeren totdat op zijn verzoek tot schuldsanering was beslist.

Verweerster stelde dat de huurachterstand al sinds 2018 speelt, met vijf eerdere ontruimingsaanzeggingen, en dat verzoeker geen contact heeft gezocht om de achterstand op te lossen. De laatste huurbetaling dateert van 6 januari 2022, met een huidige achterstand van tien maanden. Schuldhulpverlening gaf aan dat budgetbeheer nog niet is gestart en dat het woongenot beperkt is door een afgesloten energievoorziening.

De rechtbank oordeelde dat de spoedeisendheid van het verzoek voldoende was aangetoond, maar dat het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om in de woning te blijven. Er is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan en het is onduidelijk of verzoeker tot schuldsanering zal worden toegelaten.

Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld door een advocaat bij het gerechtshof.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening om de ontruiming op te schorten wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287, vierde lid, Faillissementswet
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 25 april 2022
[verzoeker],
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
hierna: verzoeker.

1..De procedure

Verzoeker heeft op 6 april 2022 een verzoekschrift ex artikel 287, vierde lid Faillissementswet (hierna: Fw) ingediend waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In de beschikking van 6 april 2022 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 14 april 2022.
Ter zitting van 14 april 2022 zijn verschenen en gehoord:
  • De heer [verzoeker] , verzoeker;
  • Mevrouw [naam persoon 1] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
  • Mevrouw [naam persoon 2] , werkzaam bij Syncasso, gemachtigde van Havensteder (hierna: verweerster);
  • Mevrouw [naam persoon 3] , werkzaam bij Havensteder.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe om verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen, totdat op het door verzoeker ingediende verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal zijn beslist.

3..Het verweer

Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. De problematiek omtrent het niet betalen van de verschuldigde huurpenningen speelt al sinds 2018. In de periode 2018 tot en met heden is reeds vijf maal ontruiming van de woning aangezegd. Verzoeker heeft diverse malen aangegeven hulp te hebben gezocht, echter zonder het beoogde resultaat. De huurpenningen worden niet voldaan, waardoor er thans sprake is van een huurachterstand van tien maanden. De laatste betaling heeft plaatsgevonden op 6 januari 2022. Verweerster rekent het verzoeker ernstig aan dat er op geen enkele wijze contact is opgenomen om tot een oplossing van de huurachterstand te komen, noch vanuit verzoeker, noch vanuit schuldhulpverlening. Er kan van verweerster niet worden verwacht dat de huidige situatie zo voortduurt. Verzoeker heeft betalingsregelingen getroffen, welke allemaal niet zijn nagekomen. Ondanks het feit dat het wijkteam en schuldhulpverlening al maanden bij verzoeker betrokken zijn, is er nog steeds geen minnelijke regeling tot stand gekomen. Verweerster stelt zich op het standpunt dat niet van haar kan worden verlangd dat deze situatie nog langer voortduurt. Daarom heeft verweerster de rechtbank verzocht het verzoek voorlopige voorziening af te wijzen.

4..De beoordeling

Voor toewijsbaarheid van het verzoek is allereerst vereist dat door verzoeker is aangetoond dat sprake is van een spoedeisende situatie.
De spoedeisendheid van het verzoek is aangetoond, nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2021 tot ontruiming van zijn woonruimte heeft overgelegd. Tevens is door verzoeker een kopie van de brief van de deurwaarder overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 7 april 2022 zal overgaan tot ontruiming van de woning. Ter zitting is gebleken dat verweerster daar slechts vanaf heeft gezien in afwachting van de uitspraak op dit verzoek. De spoedeisendheid is daarmee naar het oordeel van de rechtbank nog voldoende actueel.
Met betrekking tot de verzochte voorlopige voorziening dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoeker enerzijds en de belangen van verweerster anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat eruit dat hij in afwachting van een beslissing van deze rechtbank op het door hem ingediende verzoekschrift ex artikel 284 Fw Pro in zijn huurwoning kan blijven wonen.
Het belang van verweerster bestaat eruit dat zij het vonnis van 1 april 2021 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. In de periode vanaf 2018 is aan verzoeker vijf maal ontruiming van de huurwoning aangezegd. De laatste huurbetaling dateert van
6 januari 2022. Er is thans sprake van een huurachterstand van tien maanden. De lopende huurtermijnen zijn niet voldaan. Daarnaast heeft schuldhulpverlening ter zitting verklaard dat budgetbeheer nog niet is opgestart. Ter zitting is voorts gebleken dat er momenteel geen energievoorziening in de woning beschikbaar is, omdat de netbeheerder de aansluiting heeft afgesloten. Het woongenot dat verzoeker heeft, is daarmee zeer beperkt. De rechtbank is tot slot van oordeel dat met de thans beschikbare gegevens niet goed kan worden beoordeeld of verzoeker tot de wettelijke schuldsanering zal worden toegelaten.
Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang van verweerster daarom zwaarder te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal worden afgewezen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 25 april 2022 gegeven door mr. B.J. Tideman, rechter, in aanwezigheid van C. van der Velde, griffier. [1]