Verzoeker heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening ex artikel 287, vierde lid, Faillissementswet, waarmee hij verweerster wilde verbieden het vonnis tot ontruiming van zijn woonruimte uit te voeren totdat op zijn verzoek tot schuldsanering was beslist.
Verweerster stelde dat de huurachterstand al sinds 2018 speelt, met vijf eerdere ontruimingsaanzeggingen, en dat verzoeker geen contact heeft gezocht om de achterstand op te lossen. De laatste huurbetaling dateert van 6 januari 2022, met een huidige achterstand van tien maanden. Schuldhulpverlening gaf aan dat budgetbeheer nog niet is gestart en dat het woongenot beperkt is door een afgesloten energievoorziening.
De rechtbank oordeelde dat de spoedeisendheid van het verzoek voldoende was aangetoond, maar dat het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om in de woning te blijven. Er is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de lopende huurtermijnen zullen worden voldaan en het is onduidelijk of verzoeker tot schuldsanering zal worden toegelaten.
Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld door een advocaat bij het gerechtshof.