Partijen sloten in 2004 een kredietovereenkomst waarbij ABN AMRO een kredietfaciliteit verstrekte aan [persoon A] voor de bedrijfsuitoefening. De lening bestond uit een 10-jarige lening en een rekening-courantkrediet, later uitgebreid met een extra lening en verhoging van het rekening-courantkrediet. De kredietovereenkomst bevatte algemene voorwaarden die onder meer opzegbaarheid en limietoverschrijding regelden.
[Persoon A] overschreed langdurig de kredietlimiet van het rekening-courantkrediet en ondanks meerdere verzoeken van ABN AMRO om de overstand aan te zuiveren, werd dit niet gedaan. ABN AMRO zegde daarop de kredietovereenkomst op en eiste onmiddellijke betaling van het openstaande bedrag. [Persoon A] voerde verweer en stelde dat de bank onrechtmatig had gehandeld door het krediet om te zetten naar een particulier krediet en vervolgens op te zeggen.
De rechtbank oordeelde dat ABN AMRO bevoegd was de kredietlimiet te verlagen en het krediet op te zeggen bij niet-nakoming, ongeacht of het om een zakelijk of particulier krediet ging. De bank had de kredietnemer tijdig geïnformeerd en er waren concrete afspraken gemaakt over afbouw van het krediet. De overschrijding was langdurig en aanzienlijk, wat een geldige reden vormde voor opzegging. Er was geen sprake van schending van de zorgplicht door ABN AMRO.
De vorderingen van ABN AMRO werden toegewezen en de reconventionele vorderingen van [persoon A] afgewezen. [Persoon A] werd veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag vermeerderd met rente en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.