Art. 1:247 lid 2 BWArt. 1:266 lid 1 BWArt. 1:275 lid 1 BWArt. 1:276 lid 1 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd over minderjarige
De rechtbank Rotterdam behandelde op 5 april 2022 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over haar minderjarige kind. De moeder oefende het gezag uit, maar de gecertificeerde instelling was reeds belast met voorlopige voogdij en het kind verbleef in een perspectiefbiedend pleeggezin.
De moeder wenste geen zorg te dragen voor het kind en had aangegeven zich te willen laten steriliseren. Zij reageerde niet op contactpogingen en leefde in een onveilige omgeving. Het kind had een moeilijke start, was prematuur geboren en kampte met een oogziekte waarvan de lange termijn effecten onbekend zijn. Het pleeggezin bood het kind liefde en veiligheid.
De rechtbank oordeelde dat het gezag van de moeder beëindigd moest worden op grond van artikel 1:266 lid 1 BWPro, omdat het kind in zijn ontwikkeling ernstig werd bedreigd en de moeder niet in staat was haar ouderlijke verantwoordelijkheid te dragen. De gecertificeerde instelling werd benoemd tot voogd op grond van artikel 1:275 BWPro. De moeder werd veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het vermogen van het kind aan de voogd.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de moeder kan binnen drie maanden hoger beroep instellen via de griffie van het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder is beëindigd en de gecertificeerde instelling is benoemd tot voogd.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/628652 / JE RK 21-2989
datum uitspraak: 5 april 2022
beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,
betreffende
[naam minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum minderjarige] 2021 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 15 november 2021, ingekomen bij de griffie op diezelfde dag.
Op 5 april 2022 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster 1] ,
- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 2] .
Opgeroepen en niet verschenen is de moeder.
De feiten
Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.
Bij beschikking van 23 september 2021 is de GI belast met de voorlopige voogdij over [voornaam minderjarige] .
[voornaam minderjarige] verblijft in een perspectiefbiedend pleeggezin.
De GI heeft zich bij brief van 3 maart 2022 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.
Het verzoek
De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot voogdes over [voornaam minderjarige] te benoemen.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De moeder is van begin af aan duidelijk geweest dat zij geen moeder wenst te zijn. Een eerder kind van de moeder is in een pleeggezin geplaatst. Op het moment dat de moeder bij Antes verbleef en begeleiding kreeg, heeft ze aangegeven zich te willen laten steriliseren. De moeder geeft aan niet meer op de hoogte te willen worden gebracht over [voornaam minderjarige] . De moeder heeft wel akkoord gegeven voor eventueel contact tussen [voornaam minderjarige] en zijn halfbroer in de toekomst. [voornaam minderjarige] ontwikkelt zich ondanks een moeilijke start goed in zijn huidige pleeggezin.
De standpunten
De GI heeft zich ter zitting aangesloten bij het verzoek van de Raad. De moeder is niet betrokken. De vader is niet bekend. De moeder reageert niet meer op het contact met de GI en is weer aan het werk. De oma en moeder wonen samen en werken samen in de prostitutie. Dit is geen gezonde situatie voor een kind om in op te groeien. Vooralsnog doet [voornaam minderjarige] het goed, maar hij heeft het erg zwaar gehad. [voornaam minderjarige] heeft een bijzondere ziekte aan zijn ogen. Het is nog niet bekend wat dit op termijn gaat betekenen. [voornaam minderjarige] is in een liefdevol gezin geplaatst. De pleegouders staan open voor contact met de moeder in de toekomst, mocht [voornaam minderjarige] hier behoefte aan hebben.
De beoordeling
De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
Uit de overlegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] een moeilijk start heeft gehad. De moeder heeft gedurende haar zwangerschap tot aan haar opname bij Antes drugs gebruikt. [voornaam minderjarige] is te vroeg geboren en heeft hierna een periode van gezondheidsproblemen ervaren. [voornaam minderjarige] heeft verschillende kuren hiervoor ondergaan. Deze kuren zijn met succes afgerond. Naast deze zware start heeft [voornaam minderjarige] een ziekte aan zijn ogen, waarvan de effecten op de lange termijn nog onduidelijk zijn. [voornaam minderjarige] verblijft in een perspectiefbiedend pleeggezin dat hem de liefde en veiligheid biedt die hij nodig heeft. Hij hecht zich aan de pleegouders en ontwikkelt zich goed bij hen. De moeder heeft meermaals aangegeven geen zorg te kunnen dragen voor [voornaam minderjarige] en dit ook niet te willen, waardoor een gezagsbeëindiging de meest passende maatregel is.
De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.
Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [voornaam minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over hem te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. De voorgestelde voogdes heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank is van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij.
Op grond van artikel 1:276, eerste lid BW wordt de ouder van wie het gezag is beëindigd, ervan uitgaande dat de ouder het bewind voerde over het vermogen van de minderjarige, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover aan de opvolger in dit bewind.
De beslissing
De rechtbank:
beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] over [voornaam minderjarige] ;
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam;
veroordeelt de moeder aan de voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van [voornaam minderjarige] af te leggen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2022 door mr. A.C. Enkelaar, kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.J.E. van der Veer als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 14 april 2022.
De rechter is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Den Haag.