Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven, stellende dat hij van december 2019 tot oktober 2020 getuige was van verbaal en fysiek geweld tussen zijn vader en diens vriendin. Verweerder wees de aanvraag af omdat onvoldoende objectief bewijs was voor stelselmatig huiselijk geweld dat eiser stelselmatig heeft waargenomen, en omdat het verbale geweld niet kon worden gekwalificeerd als een opzettelijk tegen eiser gericht geweldsmisdrijf.
De rechtbank overwoog dat op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven en het beleidskader een geweldsmisdrijf aannemelijk moet worden gemaakt met objectieve aanwijzingen. Hoewel eiser getuige was van verbaal geweld met psychische impact, ontbrak het aan bewijs dat dit geweld opzettelijk jegens hem was gericht of dat er sprake was van voorwaardelijke opzet. Ook was er onvoldoende bewijs voor stelselmatig fysiek geweld, aangezien het enkele rapport van een wijkteammedewerker slechts incidentele tikken vermeldde, zonder aanwijzingen voor frequent en langdurig geweld.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het primaire besluit en het bezwaar ongegrond heeft verklaard. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.