De rechtbank Rotterdam behandelde een civiele zaak waarin eiser 1 en eiser 2, als bewindvoerders van eiser 3, vorderden dat gedaagde een bedrag van €100.000,- terugbetaalt dat eiser 3 aan haar had geleend. Eiser 3, zwakbegaafd, had op verzoek van gedaagde meerdere geldbedragen overgemaakt, waarvoor hij leningen had afgesloten bij banken. Gedaagde stelde dat het om schenkingen ging, maar de rechtbank vond dat onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank concludeerde dat er sprake was van overeenkomsten van geldlening, mede op basis van correspondentie en WhatsApp-berichten waarin gedaagde terugbetaling beloofde. De hoogte van de lening werd vastgesteld op €98.382,-, aangezien gedaagde een rekenfout van €7.000,- erkende. De vordering werd toegewezen met wettelijke rente vanaf 16 april 2021 en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van €1.617,-.
Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van het bedrag, de rente en de proceskosten. Het verweer dat de leningen zouden gelden tussen eiser 3 en de verloofde van gedaagde werd verworpen wegens onvoldoende bewijs. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en op 18 mei 2022 door de rolrechter uitgesproken.