De rechtbank Rotterdam behandelde op 9 mei 2022 een zaak betreffende ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2018, waarbij de ouders het gezamenlijk ouderlijk gezag uitoefenen. De kinderen verblijven momenteel in een pleeggezin sinds februari 2022 vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling door overbelasting en onvoldoende emotionele beschikbaarheid van beide ouders.
De moeder verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te vestigen vanaf 22 augustus 2022 en een zorgregeling waarbij de kinderen doordeweeks bij haar verblijven en in het weekend bij de vader of een weekendpleeggezin. De vader voerde verweer en deed een zelfstandig verzoek met een andere zorgregeling en hoofdverblijfplaats. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling onderschreven het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing vanwege de huidige ongeschiktheid van de ouders om de zorg adequaat te dragen.
De kinderrechter oordeelde dat de periode tot 22 augustus 2022 te kort is om met zekerheid vast te stellen dat de moeder structureel en permanent de zorg kan dragen, mede omdat hulpverlening nog niet is gestart en de omgang met de ouders nog moet worden opgebouwd. De uithuisplaatsing is noodzakelijk in het belang van de kinderen en wordt voor zes maanden verleend, terwijl de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden geldt.
De verzoeken tot vaststelling van de zorgregeling en hoofdverblijfplaats worden aangehouden tot 15 oktober 2022, waarbij een rapportage van de gecertificeerde instelling wordt gevraagd en schriftelijke reacties van de advocaten. Het verzoek van de moeder om kinderbijdrage wordt afgewezen wegens intrekking. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en mondeling uitgesproken door kinderrechter M. van Kuilenburg.