De rechtbank Rotterdam behandelde op 29 april 2022 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen. De ouders oefenden het ouderlijk gezag uit en de kinderen woonden bij de moeder. Eerder waren de kinderen onder toezicht gesteld tot 22 april 2022 en vervolgens kort verlengd tot 22 mei 2022 vanwege procedurele redenen.
De Raad verzocht verlenging van de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden vanwege zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen en het ontbreken van effectieve hulpverlening door de gecertificeerde instelling. De moeder en vader verzetten zich tegen dit verzoek en stelden dat er geen gronden meer waren voor ondertoezichtstelling. De moeder ontving hulp van een vertrouwenspersoon en er was sprake van positieve gezinsontwikkeling.
De kinderrechter stelde vast dat de ouders hulp accepteren en dat de situatie is verbeterd sinds de uithuisplaatsing van een oudere dochter en het vertrek van een volwassen zoon. De gecertificeerde instelling was niet aanwezig op de zitting en had weinig contact met het gezin. Gezien de positieve ontwikkelingen en het ontbreken van actuele zorgen achtte de kinderrechter het wettelijke criterium voor verlenging niet langer vervuld en wees het verzoek af.