Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- het verzoekschrift van 16 november 2021, met producties 1 tot en met 3,
- de mondelinge behandeling, gehouden op 10 januari 2022,
- de brief van mr. Yesildag van 10 januari 2022.
Rechtbank Rotterdam
HS en SMG zijn partijen bij zes overeenkomsten voor het modificeren van schepen, waarin een arbitragebeding is opgenomen met Amsterdam als plaats van arbitrage en Engels recht als toepasselijk recht. HS startte arbitrage wegens een vordering van €141.000,00 voor geleverde verf en stelde een arbiter voor. SMG weigerde dit en stelde een arbiter van de Ukrainian Chamber of Commerce and Industry voor, stellende dat Amsterdam niet als plaats van arbitrage was overeengekomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat Amsterdam als plaats van arbitrage geldt, ondanks dat het genoemde ADR Instituut niet bestaat als arbitrage-instituut. De keuze voor het ADR Instituut werd als niet essentieel beschouwd, en het arbitraal beding werd voorlopig als geldig aangemerkt. HS stelde een arbiter van UNUM voor, die beschikbaar was.
De voorzieningenrechter benoemde [naam 1] tot arbiter en wees het verzoek tot proceskostenveroordeling af. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en elke partij draagt eigen kosten.
Uitkomst: Arbiter benoemd door voorzieningenrechter, proceskostenveroordeling afgewezen, partijen dragen eigen kosten.