Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2022 in de zaak tussen
[naam eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres,
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
.Uit de schoolverklaring van het [naam school] (hierna: de school) te Marokko van 15 oktober 2019 en de in- en uitreisgegevens van de zoon, volgt dat de zoon in het schooljaar 2019-2020 ongeveer 9,5 maand in Marokko heeft verbleven en aldaar fysiek onderwijs heeft gevolgd. Gelet hierop is verweerder van mening dat hij ervan uit mocht gaan dat de zoon in het schooljaar 2020-2021 eveneens meer dan twee derde van het halfjaar in Marokko zou gaan verblijven. De aangiftes voor hervestiging zijn daarom volgens verweerder in de primaire besluiten terecht afgewezen.
Verweerder overweegt verder dat achteraf ook is gebleken dat de zoon niet voldeed aan artikel 2.38, eerste lid, van de Wet brp. Dit volgt uit het paspoort en de schoolverklaringen afkomstig van de school. Gebleken is dat de zoon vanaf 5 september 2020 tot 3 december 2020 en van 15 juni 2021 tot en met 4 juli 2021 online-onderwijs heeft gevolgd aan de school terwijl hij in Nederland verbleef, en vanaf 4 december 2020 tot en met 14 juni 2021 fysiek onderwijs heeft gevolgd in Marokko.
Beslissing
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiseres dient te vergoeden;